Olieprijs onnodig hoog

Er is dezer dagen niet veel voor nodig om de olieprijs tot recordhoogte op te jagen. Vorige week was het de angst voor een onderbreking van de olietoevoer van Yukos, het geplaagde Russische olieconcern. Deze week zorgde het nieuws over een mogelijke terroristische aanslag van Al-Qaeda op Amerikaanse financiële instellingen ervoor dat de olieprijs uitkwam op 44 dollar per vat, de hoogste prijs sinds de termijnhandel in olie in 1983 van start ging.

Maar de reactie van de markt op de jongste terreurdreiging is uiterst merkwaardig. Een Al-Qaeda-achtige aanslag zou juist tot lagere en niet tot hogere prijzen moeten leiden. Kijk maar eens naar wat er na 11 september 2001 gebeurde. De olieprijs steeg aanvankelijk naar meer dan 30 dollar per vat, toen de paniek zich over de markten verspreidde. Maar daarna zakte hij even snel weer in. Handelaren in olie realiseerden zich dat de aanslagen zouden leiden tot een groeivertraging en een daling van het reizigersverkeer, en daardoor tot minder vraag naar olie. Daarom daalde de olieprijs naar net iets boven de 20 dollar per vat.

Er is geen reden om te veronderstellen dat het deze keer heel anders zal zijn. Een hoger aantal terreuraanslagen in de Verenigde Staten zou meer economische onzekerheid en minder vraag opleveren. Dat zou de wispelturige oliemarkt rust moeten geven. Het enige echte gevaar voor de olieprijs is een ontwrichting van het aanbod, iets dat de terroristen tot nu toe nog niet hebben klaargespeeld. De reden daarvan is waarschijnlijk dat zij meer uit zijn op het aanjagen van angst dan op het opblazen van pijpleidingen in verafgelegen uithoeken van de wereld.

Onder redactie van Hugo Dixon. Voor meer commentaar: zie www.breakingviews.com. Vertaling Menno Grootveld.