De volgende wereldleider

Op 2 november gaan de Amerikaanse kiezers beslissen over wie de komende vier jaar `de machtigste man ter wereld' zal zijn. Vier jaar geleden verscheen iets minder dan 51 procent. Van het totaal aantal stemmen kreeg Al Gore er 537.179 meer dan George W.Bush. De president wordt niet direct gekozen maar via het College van Kiesmannen. In Florida kon wegens gebreken van de stemmachines de uitslag niet nauwkeurig worden bepaald. Het Hooggerechtshof deed uitspraak, bracht daardoor kandidaat Bush de meerderheid in dit College. Zo werd hij de machtigste man. Hij beloofde, de president van de verzoening te zijn. Na zijn ambstaanvaarding begon hij aan zijn conservatieve revolutie, waaraan hij na 11 september 2001 versneld uitvoering heeft gegeven.

Eerst gebeurde dit met steun van de grote, door vaderlandsliefde gemotiveerde meerderheid. Maar door het verloop van de oorlog in Irak zijn steeds meer Amerikanen eraan gaan twijfelen of ze voor hun patriottisme wel de juiste exponent hebben gevonden. In Europa denken we dan aan Michael Moore. In grote delen van Amerika is hij niet meer dan een interessante extremist. Uit de opiniepeilingen blijkt dat de natie opnieuw tot de verdeling 50-50 nadert. In de getallen begint het weer te lijken op de toestand van vier jaar geleden.

De rest is anders. De strijd tussen Bush en Gore speelde zich af in een wereld waarbinnen het Westen zich een superieure achteloosheid leek te kunnen veroorloven. We beleefden, zonder dat te beseffen, de nadagen van het grenzeloos economisch optimisme. Voormalig Joegoslavië leek na acht jaar burgeroorlog tot een ordelijk gebied te zijn gebombardeerd. Wereldprobleem nummer één, de affaire-Monica Lewinsky, was achter de rug. Kandidaat Bush zou als president geen grote obstakels op zijn weg naar de grote conservatieve hervorming vinden.

Behoud van het Amerikaanse wereldleiderschap, met een scherpe reductie van de Europese invloed. Versterking van de eigen bewapening. Geen experimenten in nation building. En in de binnenlandse politiek de grote belastingverlagingen, nog meer aandacht voor de rechten van het individu, vermindering van de staatsinvloed en herstel van de normen en waarden, bestrijding van de counter culture.

Na de elfde september heeft het er een paar maanden op geleken dat er althans in de buitenlandse politiek iets was veranderd. Maar toen kwam Irak, het voorspel, de oorlog zelf en nu de nasleep die een jaar en drie maanden uitzichtloos voortduurt. Het bewind van Saddam Hussein is opgeheven, maar de wereld is er niet veiliger op geworden. Irak is op een andere manier, maar nog steeds het tegendeel van de voorbeeldige democratie. In de regio is het anti-Amerikanisme feller en omvangrijker, in de rest van de wereld ook. Oude bondgenootschappen zijn in organisaties van onderling wantrouwen veranderd. En inmiddels is door Amerikaans en Brits onderzoek ook duidelijk geworden, door welk eigenaardig systeem van misleidingen de oorlog zijn ondeugdelijke rechtvaardiging heeft gekregen.

Dit alles heeft de president en zijn omgeving er niet toe gebracht, het grote beleid wezenlijk te veranderen. George W.Bush is, zoals in zijn jaren als president is gebleken en zoals zijn vrienden verzekeren, een krachtige persoonlijkheid. In zijn karakter is hij eerder de president die consequent en radicaal voor het goede en tegen het kwade kiest, dan de politicus die `de kunst van het mogelijke' beoefent. In laatste aanleg is deze machtigste man ter wereld een ideoloog. En nu hebben de jaren van zijn bewind geleerd, dat de rest van de wereld, in een grote verscheidenheid van toonaard en argumenten, niet van zijn ideologie gediend is. Zolang deze president zijn vaste koers blijft varen, zolang zal het verzet in een veelheid van vormen toenemen. En dan niet alleen tegen hem persoonlijk, maar tegen wat gezien wordt als heel Amerika.

Gezien de ervaring met Bush in zijn eerste ambtstermijn, is het waarschijnlijker dat hij in zijn tweede termijn op zijn manier zal proberen, `het werk af te maken'. Dit `afmaken', op de manier die we inmiddels van hem gewend zijn, zou dan wel eens kunnen betekenen dat er meer werk bijkomt. Maar dat zou dan een probleem voor na 2 november zijn.

Nu, bij het begin van de echte verkiezingsstrijd, is het de vraag in welke mate de Amerikaanse kiezers beseffen dat ze straks voor of tegen iemand zullen kiezen die eerder een ideoloog dan een pragmatisch politicus is.

De komende maanden wordt het electoraat blootgesteld aan een bombardement van propaganda. In de vorige campagne hebben de partijen bij elkaar meer dan een miljard dollar aan televisiereclame uitgegeven, waarvan weer een groot deel besteed is aan de negatieve filmpjes, attack ads, om de tegenstander binnen de grenzen van de wet zo zwart mogelijk te maken. Niettegenstaande al die inspanning ging, zoals gezegd, maar 51 procent stemmen. Bij zo'n geringe opkomst wordt wel gezegd dat het met de democratie in orde is, want volgens deze redenering hebben de niet-stemmers te weinig problemen om te gaan stemmen.

Dat hebben bij de vorige gelegenheid misschien velen gedacht. Maar deze keer kunnen ze zeker weten, dat ze niet op deze of gene min of meer toevallige kandidaat stemmen. Ze maken een ideologische keuze. Wel wordt op het ogenblik gezegd dat het niet zoveel verschil zou uitmaken of Kerry dan wel Bush zou worden gekozen. Immers, ze moeten dezelfde problemen oplossen. De eenvoud van dit argument ontmaskert de demagogie. Want Bush heeft meegeholpen met het scheppen van de problemen, die hij misschien wil oplossen met de middelen waardoor ze zijn vergroot. Terwijl we van Kerry niet veel meer weten dan dat hij in Vietnam heeft gevochten en in ieder geval niet de indruk maakt dat hij een ideoloog is.

Voor het eerst sinds Ronald Reagan kiezen de Amerikanen weer iemand die, hoe dan ook, gedwongen is wereldleider te zijn. Ze maken een keuze voor de wereld. Voor welke wereld? Dat weet de rest op 3 november.