De namen zijn er, nu de posten nog

Nu bijna alle kandidaat-commissarissen bekend zijn, kunnen de posten worden verdeeld. Dat betekent: rekening houden met gevoeligheden.

Wie komt waar te zitten? José Manuel Barroso, de aanstaande voorzitter van de Europese Commissie, puzzelt nu al enige tijd. De namen van kandidaten voor `zijn' commissie, die op 1 november moet aantreden, heeft hij sinds gisteren nagenoeg allemaal binnen, na de Nederlandse voordracht van Neelie Kroes. Alleen Letland en Hongarije moeten nog formeel met hun kandidaten komen.

Portefeuilles zijn er ook. Het komt er voor de voormalige premier van Portugal nu op aan personen aan portefeuilles te koppelen. Maar dat is juist het subtiele spel dat misschien nog wel de meeste gelijkenis vertoont met de `Rubik's-cube', de indertijd razend populaire kubuspuzzel – alles moet passen; deeloplossingen bestaan niet.

Barroso zit allereerst met een luxe-probleem. De kandidatenlijst telt nogal wat zwaargewichten: behalve hemzelf nog twee oud-premiers (Vladimir Spidla van Tsjechië en Siim Kallas van Estland) en heel wat ex-ministers. Een groot aantal van hen heeft dienstjaren op Buitenlandse Zaken dan wel op het financieel-economische terrein. Dat zware mensen zware posten verdienen is een theorie die niet alleen in Den Haag wordt gehanteerd. Dit vergt dus behoedzaam opereren van de komende voorzitter.

Daarnaast heeft hij bij de samenstelling van het dagelijks bestuur van de Unie met een aantal vaste gegevens rekening te houden. Zo speelt allereerst het land van herkomst van de kandidaat-commissaris een belangrijke rol. De leden van de commissie zitten formeel weliswaar niet namens een land in de commissie zij worden geacht het algemeen Europees belang te dienen maar de praktijk is anders.

Wil Barroso met zijn commissie straks ten opzichte van de nationale regeringen enige speelruimte hebben, dan zal hij de vijf grote landen van de Unie (Frankrijk, Duitsland, Groot-Brittannië, Spanje en Italië) enigszins ter wille moeten zijn door de kandidaat-commissarissen uit die landen een belangrijk takenpakket te geven. Temeer daar deze landen in vergelijking met het huidige dagelijks bestuur fors aan invloed inleveren, omdat zij niet langer twee maar nog maar één commissaris hebben. Alle grote landen hebben aangegeven `hun' commissaris werkzaam te willen zien in de economische sector.

Vooral voor de portefeuille Interne markt, die nu nog door Frits Bolkestein wordt beheerd, bestaat uit Duitsland, Frankrijk en Groot-Brittannië veel belangstelling. Al was het maar omdat de eerste twee landen de afgelopen jaren veel last hebben gehad van de interventies van Bolkestein. Daarnaast worden de posten concurrentie, handel en economische en monetaire zaken als krenten beschouwd.

Belangrijk is ook of Barroso uit deze hoek een vice-voorzitter aanstelt die coördinerende bevoegdheden krijgt. Dit is eveneens een wens van de drie grootste EU-lidstaten. Maar Barroso moet er ook weer voor waken dat niet alle kernposten naar de grote landen gaan. Vandaar dat aanpalende portefeuilles zoals Landbouw en Transport aan kleinere landen kunnen worden toebedeeld. Dat moet dan ook wel weer passen in het politieke plaatje: ook daar moet sprake zijn van enige spreiding, zodat niet één sector wordt overheerst door één politieke kleur.

In elk geval is wel duidelijk dat Barroso de samenstelling van de vijfentwintig leden tellende commissie als zijn taak beschouwt. De tijden van de legendarische `nachten van de lange messen', waarbij alle commissarissen met elkaar rond de tafel gingen zitten om de portefeuilles te verdelen, zijn voorbij. Om zijn werk iets te vergemakkelijken was in de `ontwerp-grondwet' van de Unie nog voorzien dat elke lidstaat drie kandidaat-commissarissen zou voordragen waar de voorzitter dan uit zou kunnen kiezen. Maar in de definitieve tekst is dit voorstel weer gesneuveld. Daardoor blijft de samenstelling van de commissie een kwestie van puzzelen.