100 dagen Zapatero

De eerste maanden onder de nieuwe socialistische regering van premier José Luis Rodríguez Zapatero hebben een frisse wind doen waaien door Spanje. De conservatieve premier José María Aznar was in zijn tweede regeertermijn, waarin hij over een absolute parlementaire meerderheid beschikte, steeds verder afgegleden in een verstard en autoritair bestuur. Het parlementaire debat en het afleggen van politieke verantwoordelijkheid waren op de achtergrond geraakt. De nieuwe premier zoekt de dialoog en consensus. Zijn handelsmerk is de glimlach en niet de dreigende blik van zijn voorganger.

Zapatero is echter geen politieke `bambi'. Direct na zijn beëdiging kwam de premier zijn verkiezingsbelofte na om de Spaanse troepen onmiddellijk uit Irak terug te trekken. De Spaanse troepensterkte onder de vlag van de Verenigde Naties in Afghanistan werd opgevoerd. Spanje keerde terug naar continentaal Europa en zocht weer nadrukkelijk toenadering tot Frankrijk en Duitsland. Het verzet tegen de Europese grondwet werd gestaakt. De banden met buurland Marokko – geopolitiek steeds belangrijker voor de stabiliteit in de regio – werden dusdanig aangehaald dat er zelfs een gezamenlijke troepenmacht naar Haïti wordt gezonden. Nog geen twee jaar na de militaire confrontatie rond het eilandje Perejil een geste van betekenis, die bijdraagt aan de Spaanse brugfunctie naar de Arabische wereld.

Binnenslands ontbreekt het evenmin aan daadkracht. Het omstreden plan van de wateroverheveling uit de Ebro naar het zuiden, waarvan de financiering al eerder op bezwaren van de Europese Unie stuitte, werd vervangen door de bouw van ontziltingsinstallaties. Tot groot ongenoegen van de Spaanse bisschoppenconferentie werd de invoering van het katholieke onderwijs geschrapt en werden de eerste stappen gezet voor een wettelijk homohuwelijk. Voor het eerst bestaat de helft van een kabinet, inclusief de vice-premier, uit vrouwen. Een strengere wetgeving voorziet in een betere bestrijding van vrouwenmishandeling. Met werkgevers en vakbonden werd een sociaal akkoord gesloten.

Zo worden de contouren zichtbaar van een regering die een pragmatische koers links van het midden vaart. Dat pragmatisme zal Zapatero nog hard nodig hebben bij de oplossing van de problemen in de komende jaren, zoals bij de beloofde vorming van een daadwerkelijk onafhankelijke staatsomroep, het probleem van de speculatieve prijsexplosie in de huizenmarkt en vergroting van de concurrentiekracht van de Spaanse economie.

De Spaanse kiezers maakten met hun keuze vooral de onvrede kenbaar met de vorige regering, in het bijzonder na de terreuraanslagen in Madrid van de elfde maart. Vooralsnog heeft dit in de conservatieve Partido Popular niet geleid tot enige zelfreflectie. De nieuwe leider Mariano Rajoy valt op door zijn redelijke toon, maar hij heeft de hoofdrolspelers in het debacle rond elf maart, zoals de ministers Ángel Acebes en Eduardo Zaplana, op centrale posities binnen de partij laten benoemen. De parlementaire enquête naar de aanslagen bracht aan het licht dat de politie- en inlichtingendiensten onder de vorige regering geenszins waren voorbereid op een aanslag van islamitische extremisten. Geen van de voormalige bewindslieden nam enige politieke verantwoordelijkheid, terwijl ex-premier Aznar niet eens werd gehoord. Een betreurenswaardige vertoning, die tot gevolg had dat tweederde van de Spanjaarden niet gelooft dat politici enig belang hebben bij het uitzoeken wat er is fout gegaan op de elfde maart. Ook de huidige regering zal zich rekenschap moeten geven van dit gebrek aan democratisch vertrouwen.