Staatsschuld en pensioenfondsen

In zijn artikel (Opiniepagina, 26 juli) beschrijft Jan Marijnissen een aantal feiten/ontwikkelingen, die volgens hem met elkaar samenhangen. Ik beperk mij in deze reactie tot de relatie tussen staatsschuld en het vermogen der pensioenfondsen.

We weten sinds circa 1950 op grond van demografische gegevens dat vanaf 2010 heel veel mensen recht hebben op een pensioen. De taak van pensioenfondsen en overheid is het ervoor te zorgen dat de pensioenen uit het door de deelnemers aan die fondsen opgebouwde vermogen probleemloos uitgekeerd kunnen worden.

De overheid heeft anders dan uit het motto regeren is vooruitzien verondersteld zou mogen worden zich schuldig gemaakt aan kortzichtig beleid: enerzijds door grepen in de pensioenkassen (d.w.z. door afroming van voor de lange termijn bedoelde middelen), maar ook door toestaan van beleggen van gebonden kapitaal, b.v. bij het ABP. Door zo'n handelwijze is het de respectieve regeringen te verwijten dat de pensioenen niet meer volgens afspraak betaald kunnen worden.

Nu moeten allerlei kunstgrepen verzonnen worden om de binnenkort gepensioneerden in leven te houden: hogere premies, langer doorwerken en minder pensioen, o.a. vanwege de middelloonbasis. Wat een afgang! Dit staat geheel los van de staatsschuld. Die was er, die is er en het zou op zichzelf goed zijn als die zo vlug mogelijk afbetaald werd.

Tenzij Marijnissen bedoelt dat uit verminderde aflossing van de staatsschuld en het daaruit ontstaande saldo de grepen in de pensioenkassen terugbetaald worden, waardoor 4 miljoen mensen recht gedaan wordt. Dan laat de overheid zich zien als een betrouwbare en rechtvaardige partner. Misschien de basis voor echt `een Andere Overheid'. Als Jan zich daarvoor inzet en resultaat boekt zal hij op 4 miljoen stemmen kunnen rekenen.