Romulus en Remus bij elk stadhuis

In Transsylvanië loopt de grote Hongaarse minderheid niet in het oog. Integendeel: overal wordt duidelijk gemaakt dat Transsylvanië Roemeens is. Eigenlijk, zo lijkt het signaal, hebben Hongaren er niks te zoeken.

Er hangt een waas van Roemeens triomfalisme over Transsylvanië. De regio, die in 1920 door het verdrag van Trianon van Hongarije werd afgepakt en bij Roemenië werd gevoegd, is Roemeens, zo luiden alle signalen. Er woont weliswaar nog een forse minderheid van 1,7 miljoen Hongaren, maar zij zullen en moeten weten dat Transsylvanië Roemeens is, altijd Roemeens is geweest en altijd Roemeens zal blijven. Het wordt er op elke straathoek ingehamerd. Ingebeukt.

Het hele gebied, van de Hongaarse grens tot de Karpatenrand die ooit de grens tussen de Oostenrijks-Hongaarse dubbelmonarchie en de Roemeense regio Moldavië was, is ten prooi aan die boodschap. Wie de stad Cluj binnenrijdt, de stad die de Hongaren Kolozsvár noemen, wordt op grote borden in zeven talen welkom geheten: in het Roemeens natuurlijk, maar ook in het Japans en het Russisch, het Frans, Duits, Engels en Italiaans. Niet in het Hongaars, ook al is een kwart van de inwoners Hongaar en zijn Hongaarse nummerborden hier, niet ver van de Hongaarse grens, veruit in de meerderheid onder de buitenlanders.

In de stad zelf wappert van elke lantarenpaal de Roemeense vlag. Voor de kathedraal staat het standbeeld van Matthias Corvinus, verlicht Renaissancevorst en grootste koning in de Hongaarse geschiedenis – hij werd hier in 1443 geboren. Maar van de oude tekst op het standbeeld – Hungariae Mathias Rex – is het eerste woord verwijderd. De banken in het parkje rond de kerk zijn in de Roemeense kleuren geschilderd: blauw, geel en rood. En op de plaquette op Matthias' geboortehuis honderd meter verderop staat – in het Engels en het Roemeens, niet in het Hongaars – dat ,,de Roemeen Matthias'' de grootste koning van Hongarije was.

Is Cluj/Kolozsvár misschien een uitzondering? Dit is toch de stad van Gheorghe Funar, Roemeens ultra-nationalist en berucht Hongarenvreter? Toen hij als burgemeester aantrad, droegen maar elf van de ruim 750 straten van Cluj Roemeense namen. Nu wemelt het van de straten die zijn genoemd naar Roemeense helden: Stefan de Grote, Michael de Dappere, Tudor Vladimirescu, Kogalniceanu, Avram Iancu, Nicolae Balcescu, noem maar op. Funar verpersoonlijkt bij uitstek de Roemeense overwinnaarsmentaliteit, die zegt dat Hongaren hier niet alleen niets meer te vertellen hebben, maar er ook eigenlijk niet horen. En al hebben de inwoners van de stad hem onlangs eindelijk weggestemd, na twaalf jaar, de parkbanken van Cluj zijn nog altijd in de Roemeense kleuren geschilderd en de Roemeense vlag wappert van elke paal.

En Cluj ís niet uitzonderlijk: wat voor Cluj geldt, geldt voor elke stad en elk dorp van Transsylvanië. In alle steden zijn standbeelden van Roemeense helden neergezet op de meest strategische plaats: voor het stadhuis of het cultuurpaleis. Voor de zekerheid hebben de Roemenen er doorgaans nog een standbeeld bij gezet: dat van Romulus en Remus en de zogende wolvin, symbool van Rome, om hun Latijnse en zelfs Romeinse origine te onderstrepen. Zelfs in dorpen die honderd procent Hongaars zijn, in de provincies Harghita en Covasna, hangen Roemeense vlaggen aan elke lantarenpaal, bij elke school, elk postkantoor, en zijn geen Hongaarse vlaggen te zien – de enige niet-Roemeense vlaggen die in een week rondrijden zijn gesignaleerd zijn twee vlaggen van de Europese Unie en één Friese vlag – op een bakkerij in Odorheiu Secuiesc, dat de Hongaren Székelyudvarhely noemen, een bakkerij die met Nederlands particulier geld is ingericht. De vlag is zo verstopt in een boom dat de Roemenen – waarvan er hier maar heel weinig wonen – hem waarschijnlijk nog niet hebben opgemerkt. Niet-Roemeense vlaggen zijn een `provocatie', Roemeense zijn dat natuurlijk niet, net zo min als al die Romulussen en Remussen overal.

Alom in Transsylvanië verrijzen Roemeens-orthodoxe kloosters, ook in zuiver Hongaarse dorpen. En al die kloosters dragen de Roemeense vlag aan de voordeur, alsof er geen scheiding bestaat tussen kerk en staat. Splinternieuwe orthodoxe kerken, in kleuren die pijn doen aan de ogen – citroengeel, met een felblinkend blikken dak – verrijzen alom en op borden wordt de passant gewezen op orthodoxe kerken en kloosters in de buurt. Naar Hongaarse kerken en kloosters wordt nooit verwezen. Bij dorpen waarvan de naam op borden aan de stadsrand in zowel het Roemeens als het Hongaars wordt vermeld, is de Hongaarse naam vaak doorgekrast. En in gemengde dorpen geeft personeel in `Roemeense' winkels vaak te kennen geen Hongaars te verstaan. Salam de Sibiu, dat verstaan ze, als je de beroemdste salami van het land bestelt. Szebeni szalámi verstaan ze niet. Zeggen ze.

De Hongaren verdragen al dat ostentatieve gedoe lijdzaam. Ze mopperen hooguit dat het geld voor al die standbeelden beter aan verbetering van de veelal abominabele wegen had kunnen worden uitgegeven. Verder gaan velen er van uit dat de Roemenen met al die uitingen van hun overwinnaarsmentaliteit alleen zichzelf hopeloos belachelijk maken. De Roemenen, zo zeggen ze ter illustratie, proberen nu hun held Stefan de Grote – wiens 500ste sterfdag ze in juli hebben herdacht – heilig te laten verklaren. De Hongaarse koning István (St. Stefanus), die de Hongaren in het jaar 1000 het christendom bracht, is heilig – en wat de Hongaren hebben moeten de Roemenen nu eenmaal ook hebben: een heilige vorst.