Handel is gemakkelijker dan men denkt

Om handel goed te laten verlopen zijn geen 30.000 pagina's spelregels van de wereldhandelsorganisatie WTO nodig, meent Auke Leen.

Zoals wordt gezegd, bereiden generaals zich op de volgende oorlog voor door de vorige – beter natuurlijk – over te doen. Zo is het ook bij de laatste WTO-onderhandelingsronde die een voorlopig einde heeft gevonden.

Natuurlijk het vrijmaken van de handel in landbouwproducten is een vooruitgang, maar deze is weinig van belang voor de ontwikkelingslanden die het als een overwinning vieren. Immers, landbouwproducten maken nog maar een klein deel uit van de handel van de ontwikkelingslanden. Was dat veertig jaar geleden nog 80 procent nu nog maar 20 procent.

Nog belangrijker is dat het afschaffen door de Verenigde Staten en Europese Unie van exportsubsidies (zoals op suiker en katoen) geen winst is voor de ontwikkelingslanden. De invoer uit die landen zal er navenant door dalen en ook de prijzen zullen zich niet gunstig ontwikkelen.

Waarom is er geen direct voordeel van het afschaffen van exportsubsidies te verwachten? In de jaren dertig van de vorige eeuw is door de Amerikaanse econoom Lerner bewezen dat iedere subsidie op export er ook een op import betekent. Zoals omgekeerd iedere heffing op export er ook een op de import is. Import en export gaan in principe gelijk op. (Verschillen worden veroorzaakt door het verschil tussen besparingen en investeringen in een land.)

Zo zorgt een importquotum ter bescherming van de eigen industrie ervoor dat die industrie geen prikkel heeft om haar kosten te verlagen. De productie richt zich op het eigen land met haar hoge prijs; de export met een lage prijs laat zij liggen.

Een daling van de import leidt tot een daling van de export. Dat is niet alleen theoretisch bewezen maar ook in de praktijk het geval.

Zie bijvoorbeeld de handelspolitiek die landen als Brazilië, India, Korea en Chili in de vorige eeuw voerden. De eerste twee voerden een politiek om de import te beperken teneinde de eigen industrie te bevorderen. Gevolg? Import en export gingen gelijk op, naar beneden dus. Zuid-Korea, daarentegen, bevorderde de export, en Chili liet de handel vrij. Voor beide stegen import en export. Kortom, niet alleen binnen een land maar ook tussen landen geldt `voor wat hoort wat'.

En wat gebeurt er met de prijzen? Prijzen zijn er niet om boeren een redelijk inkomen te verschaffen. Prijzen tonen schaarste en stimuleren tot het doen van ontdekkingen. Wat betreft prijzen wordt gedacht dat de toekomst voor ontwikkelingslanden er een is met een groter deel van de handel tegen een hogere prijs. Maar boeren, hier en daar, reageren op prijssignalen.

Om te kijken hoe boeren in Europa en de VS zullen reageren als ze beseffen dat de goede oude tijd niet meer terug komt, kunnen we kijken naar hoe het destijds in Nieuw Zeeland is gegaan.

In 1984 legde de overheid daar op elk verkocht schaap een gelijk bedrag aan subsidie toe. Een paar jaar later werden alle landbouwsubsidies rigoureus afgeschaft. Wat was het gevolg? De boeren ontwikkelden voor schapenvlees een op een nieuwe manier te verwerken en veel beter op andere markten te verkopen product. En ze wisten dit heel winstgevend te verkopen.

Als je mensen dwingt om innovatief te zijn, zijn ze dat ook met onverwachte uitkomsten. Het wachten op een prijsstijging is irreëel. Neem ook de productie van zoiets simpels als een stuk touw. Of althans dat was het. Het is nu een hightech-product geworden. Als de prijs van katoen omhoog gaat, komen er goedkopere substituten. Zo gebruikt men bij de productie van touwtjes aan theezakjes tegenwoordig polyester. Dat is beter en goedkoper (en er zitten ook nog minder schadelijk stoffen in) dan het voorheen gebruikte katoen.

Handel is zo moeilijk niet. We hebben er geen 30.000 pagina's spelregels van de WTO voor nodig. Waar het om draait is te beseffen dat individuen en niet landen met elkaar handelen. Individuen ruilen als ze erop vooruit gaan. Overheden, daarentegen, hameren, alvorens handel kan plaatsvinden, op een gelijk speelveld.

Een gelijk speelveld heeft zin als het middel ook het doel is, zoals bij een paardenrace. Maar bij handel gaat het er primair om dat een land deelt in de voordelen die een ander land heeft. Het gaat er zogezegd om met dat het paard de boodschap zo snel mogelijk van A naar B brengt. Derhalve is het onzinnig om het snelste paard met een extra gewicht op te zadelen. Waar het bij handel om draait zijn de importen.

De export is de prijs die we voor importen betalen. Door importen delen landen in de voordelen die andere landen kennelijk hebben.

Als Amerika spreekt over eenzijdige ontwapening bij het vrijelijk toelaten van importen is dat onzin. Het is te hopen dat de ontwikkelingslanden de moed hebben om de conclusie uit deze premissen te trekken en importen vrijelijk (eenzijdig) toelaten. De exporten volgen vanzelf. Geen handelaar wil met lege handen vertrekken.

Dr. A.R. Leen is als econoom verbonden aan de rechtenfaculteit van de Universiteit Leiden.