Een mensje

Een medicijnenstudente loopt stage in het ziekenhuis. Onder pseudoniem doet ze verslag. Vandaag over een bevalling.

Voorzichtig kijk ik over het randje de plastic emmer in. Er komt een weeë geur uit omhoog die aan lauwe biefstuk doet denken. ,,Onze taak'', zegt Lucas, terwijl hij de placenta uit de emmer haalt ,,is om de placenta secuur na te kijken. Hier zit een infarct bijvoorbeeld. Voel maar.''

Ik trek handschoenen aan en kneed in de weke, nog warme massa.

Helga, de verpleegkundige, komt de spoelkeuken binnenlopen. ,,Kom mee'', knikt ze naar me. ,,Tijd voor je eerste bevalling.'' Zenuwachtig loop ik achter haar aan. Ik wil haar vragen wat ik kan verwachten, en vooral: wat er van mij verwacht wordt. Maar ze loopt de verloskamer al in.

Binnen kijk ik recht tussen de benen van mevrouw Eggink. Waarom staat dat bed in godsnaam met het voeteneind richting deur, vraag ik me af. Nienke, de zaalarts, is net aan het toucheren. ,,Ja hoor, Mira'', zegt ze en knikt naar mevrouw, ,,volledige ontsluiting. We gaan persen.''

Ongemakkelijk geef ik Mira en Jan (hier doet niemand aan achternamen) een hand, mij pijnlijk bewust van mijn positie als pottenkijker. Want hoe vaak heb ik die verhalen niet gehoord: `Je bevalt in het ziekenhuis al met een verpleegkundige, een zaalarts of een gynaecoloog. Maar dan komt er ook nog eens zo'n klunzige co-assistent bij staan kijken.'

Ondertussen heeft iedereen zijn positie ingenomen. Mira heeft haar benen opgetrokken. Jan staat met een washandje klaar om het zweet van haar voorhoofd te vegen. Nienke voelt dat er een wee aankomt. En Helga zet in: ,,Kom op, Mira, drúkken, meid! Drukkendrukkendrukken! Nu een ademteug en nog eens!''

Bij de tweede perswee staan ook Jan en Nienke haar bij. Met zijn drieën slepen ze Mira door haar weeën. Ik voel me alsof ik per ongeluk in een toneelstuk ben beland waarin iedereen zijn rol kent, behalve ik. Waar laat ik mijn handen? Hoe moet ik staan? Ik wil wel meeschreeuwen, maar dat lijkt me misplaatst. Ik ben bang dat ze zich dan abrupt omdraaien en zeggen: ,,Hou jij in godsnaam gewoon je mond!''

Plotseling vraagt Nienke: ,,Vind je het goed als Anne ook even voelt?'' Mira knikt en ik breng aarzelend mijn vingers naar binnen. Dan opeens voel ik het: een bolletje, haartjes! Er gaat een rilling door me heen: ,,Het is een mensje!'' Dit logische feit krijgt nu pas zijn gevoelswaarde. En vanaf dat moment denk ik aan niets anders meer dan aan die vier woorden.

Ik fixeer mij op het bolletje en probeer het met al mijn kracht naar buiten te schreeuwen: ,,Ja, kom op, Mira! Duwenduwenduwen! Je doet het super, hij is er bijna!''

Met zijn vijven schreeuwen en persen we tot het zweet op ons voorhoofd staat.

Een half uur later floept plotseling een hoofdje naar buiten. Ik zwijg van schrik. ,,Even rustig, Mira'', gebiedt Nienke, terwijl ze het hoofdje vastpakt. ,,Nu weer zuchten, ja, pers maar een beetje.'' Helga duwt me iets in handen, maar ik ben niet in staat te reageren. Bewegingloos staar ik naar het bloederige, schreeuwende hoopje.

Geërgerd rukt Helga de doeken weer uit mijn handen en begint het hoopje af te drogen. Samen met Nienke handelt ze geroutineerd en emotieloos. Dan zegt Mira vol verbazing: ,,Het... het is een mensje.''

Nienke en Helga grinniken. Maar ik kan alleen maar, met natte ogen, instemmend knikken.

De beschreven gebeurtenissen hebben echt plaatsgevonden, de namen zijn gefingeerd.