Economische machtsverschuiving

Er gebeurt iets belangrijks bij de wereldhandelsbesprekingen: het zwaartepunt van de economische macht in de wereld verschuift van de rijke naar de ontwikkelingslanden. Dankzij de groei in Azië en de angst voor het terrorisme.

Oppervlakkig gezien lijkt het akkoord om door te blijven praten over de Doha-ronde van de handelsbesprekingen niet meer dan een bescheiden succesje, dat drie jaar te laat komt en bijna geen details kent. Maar de ontwerpovereenkomst betekent feitelijk een grote machtsverschuiving in de wereldhandel. De rijke landen hebben de belangrijkste punten van hun onderhandelingsagenda moeten opgeven – de liberalisering van de dienstensector en een open aanbesteding van overheidsopdrachten. De ontwikkelingslanden hebben hun zin gekregen op het gebied van de landbouw.

De rijke hebben beloofd hun landbouwsubsidies aanzienlijk te verlagen.

Maar de rijke landen kennen nauwelijks nog tarieven, en zelfs in de arme landen bedragen zij gemiddeld slechts zo'n 15 procent, niet genoeg om de internationale handel serieus in de wielen te rijden. De voornaamste motivatie voor een nieuwe overeenkomst over de wereldhandel is dan ook een negatieve: het in gang houden van het systeem.

De voorwaarden van de overeenkomst werden ingegeven door angst. De rijke landen – vooral de Europese Unie, de Verenigde Staten en Japan – zien een breekbare wereld tegenover zich. Zij willen zó graag vrede dat zij bereid zijn compromissen te sluiten over de welvaart. De nieuwe overeenkomst kan daar op twee manieren aan bijdragen.

In de eerste plaats blijven de Aziatische landen, met name China, zich nu waarschijnlijk coöperatief opstellen. Een op handelsgebied gefrustreerd China zou een groot gevaar zijn, zowel voor de regionale stabiliteit – denk aan Noord-Korea – als voor de welvaart van de VS – denk aan het tekort op de Amerikaanse handelsbalans.

Dan is er nog de dreiging van het terrorisme: islamitische terroristen hebben het altijd over religie, niet over de economie. Maar de meeste waarnemers menen dat armoede en afgunst de kiem leggen voor fanatisme. Alles dat kan helpen ervoor te zorgen dat zeer arme landen economisch vooruitgaan is daarom welkom.

Een vrijere wereldhandel is in het algemeen een goede zaak, waar rijk en arm beter van worden, maar het is geen wondermiddel. Het kan de politieke problemen van economische machtsverschuiving ten gunste van Azië niet oplossen. En het kan weinig doen voor de ploeterende economieën van Afrika.

Onder redactie van Hugo Dixon. Voor meer commentaar: zie www.breakingviews.com. Vertaling Menno Grootveld.