De bètabonus

In kennissamenleving Nederland bestaat weinig interesse in kennisoverdracht. Met 4,7 procent van het bruto binnenlands product liggen de publieke en private Nederlandse onderwijsuitgaven beneden het gemiddelde van de rijke geïndustrialiseerde landen, dat tegen de 6 procent loopt (OECD Education at a glance, 2003). De meeste andere rijke landen hebben grotere onderwijsambities dan Nederland. Nederland heeft voor een rijk land relatief schrale onderwijsvoorzieningen waar een omvangrijke administratieve bureaucratie omheen is gebouwd. Een baan voor de klas heeft weinig glamour. Zodra de economie aantrekt, zijn er geen leraren meer te vinden.

In rapporten die door commissies, werkgroepen en platforms zijn geschreven over innovatie en kennis komen de geringe Nederlandse onderwijsinspanningen nauwelijks aan bod. Er wordt een algemeen gebrek aan technische specialisten en bèta's geconstateerd, maar er wordt vrijwel nooit een verband gelegd tussen dit tekort en de vooropleidingen in het middelbaar onderwijs. Dat terwijl de Nederlandse economie het volgens de stukken van het innovatieplatform en van het ministerie van Economische Zaken juist van dergelijke specialisten moet hebben. Grote bedrijven verhuizen hun onderzoekslaboratoria naar het buitenland, onder meer omdat hier onvoldoende gekwalificeerd personeel is te krijgen. Een duidelijk geval van gebrekkige kennisoverdracht. In alle bevolkingslagen, van vmbo tot universiteit, ligt talent braak. Daarom is het initiatief van minister Van der Hoeven (Onderwijs, CDA) om bètastudenten een eenmalige bonus van 1500 euro aan het einde van een succesvol afgesloten studie in het vooruitzicht te stellen, prijzenswaardig. Vooralsnog gaat het weliswaar om een bescheiden bedrag dat nauwelijks het collegegeld overstijgt, het is een indicatie dat het probleem onderkend begint te worden.

Aan louter geldgebrek bij de overheid ligt het niet, wel vaak aan verkeerde prioriteiten bij de uitgaven. Zo kunnen de drie noordelijke provincies beter lobbyen voor goede scholen en onderzoeksinstituten dan voor bijna drie miljard euro ten behoeve van een zweeftrein. Scholen en onderzoeksinstituten geven de economie een sterkere impuls dan een magnetisch prestigeproject.

Het is verbazingwekkend hoe goed het academische niveau van de Nederlandse universiteiten nog op peil is gebleven ondanks de relatieve verarming: bovenaan de internationale citatenindex, redelijk aangeschreven in Europa. Maar hoe lang is dat vol te houden? Het innovatieplatform en andere instellingen zouden zich vooral moeten richten op de vraag hoe geld van minder belangrijke overheidsbestemmingen kan worden geschoven naar onderwijs. Het zou al een hele prestatie zijn om het gemiddelde Europese uitgavenniveau te halen – dat weer lager is dan het gemiddelde internationale niveau van alle rijke landen van de Oeso.