Blinde vlekken

,,In geen land heeft de taakstraf zich zo snel ontwikkeld als in Nederland'', noteerde de Tilburgse hoogleraar vrijheidsontneming Van Kalmthout anderhalf jaar geleden. Hij voegde daar een waarschuwing aan toe: ,,maar succes maakt ook blind''. Wij zullen voorlopig niet weten wat hij vindt van de misstanden in de dagelijkse praktijk van de taakstraf waarover deze krant afgelopen weekeinde berichtte. De hoogleraar is namelijk lid van het bestuur van de Stichting Reclassering Nederland, die belast is met de tenuitvoerlegging van deze strafsoort. Daar is een spreekverbod afgekondigd, wat de wenselijke discussie over deze publieke zaak geen goed doet.

De berichten duiden in elk geval op blinde vlekken bij de toepassing van de taakstraf. Deze sanctie – officieel: de straf van onbetaalde arbeid ten algemene nutte – kwam vijftien jaar geleden in het Wetboek van strafrecht als een zogeheten alternatieve straf. Inmiddels behoort taakstraf, al weer enkele jaren ook formeel, tot de hoofdstraffen, naast gevangenisstraf en boete. Het aantal opgelegde taakstraffen per jaar zit nu rond de 30.000 en het eind van de stijging is niet in zicht.

Één ding is niet veranderd: de taakstraf wordt ten uitvoer gelegd door de reclassering. Bij een alternatieve sanctie valt hier nog wel iets voor te zeggen, maar bij een echte straf ligt dat minder in de rede voor een organisatie die hulp en steun aan delinquenten als kerntaak heeft. De reclassering worstelt al geruime tijd met haar precieze plaats in de strafrechtpleging. Het dilemma wordt aardig onder woorden gebracht in de titel van een oud onderzoeksrapport: ,,Helpen

(z)onder dwang''. Inmiddels is die letter z tussen haakjes vrijwel geheel weggepoetst. De reclassering is in sterke mate ingelijfd door het reguliere justitiële bedrijf ten koste van haar speciale bijdrage aan de samenleving. De taakstelling met betrekking tot de taakstraf is daarvoor typerend.

Minister Donner (Justitie, CDA) schroeft – gefixeerd op bestraffing en geplaagd door cellengebrek – de streefgetallen voor de taakstraf op. Tegelijk kort hij fiks op de reclassering. Dat is vragen om moeilijkheden. De opkomst van de taakstraf heeft veel steun gehad in de publieke opinie, die kennelijk heeft ingezien dat het van belang is met name jeugdigen zo lang mogelijk buiten de bajes te houden waar ze alleen maar méér slechte dingen leren. Dit draagvlak komt nu onder druk te staan. Van Kalmthout waarschuwde al: ,,Wil de taakstraf levensvatbaar blijven, dan moet er meer worden geïnvesteerd in de kwalitatieve aspecten, begeleiding, confrontatie met slachtoffers, evaluatie''.

Dan nog is het de vraag of het juist is de reclassering op te zadelen met de taakstraf. Al bijna een eeuw kent menige veroordeling tot een voorwaardelijke straf door de rechter de clausule dat betrokkene ,,zich dient te gedragen volgens de aanwijzingen van de reclassering''. Sommige deskundigen hebben dit aangemerkt als het begin van de dood in de pot voor de échte reclassering, die het immers moet hebben van betrokkenheid en niet van opdrachten. Er is echter een verschil tussen een strakke begeleiding van delinquenten en het ten uitvoer leggen van hun sanctie, zoals de taakstraf. Tien jaar geleden waarschuwde de Centrale raad van advies van het ministerie van Justitie al voor een ,,scheefgroei'' bij de reclassering. Aanleiding was de taakstraf. Deze dreigt nu op zijn beurt scheef te groeien.