Angst en vertrouwen

De stad stond nog overeind, geen rokende puinhopen, geen kermende mensen, alles was bij het oude. Ik had niet anders verwacht, was ook niet gevlucht voor de afkondiging op 10 juli in Nederland van alarmfase zoveel – waarbij ik altijd aan de roman van Margriet de Moor moet denken: Eerst grijs dan wit dan blauw, maar dan een ander kleurenpalet, eerst groen dan oranje dan rood – ik was gewoon even met vakantie gegaan en niet eens bang geweest bij terugkomst een verschroeide omgeving aan te treffen.

Moeten we bang zijn? Gisteren waren de mensen op Wall Street en in enkele andere financiële en administratieve centra in de Verenigde Staten weer aan de beurt. Alarmfase oranje. De autoriteiten gaven tegenstrijdige signalen af. De mensen moesten zich niet laten kennen, ze moesten rustig en vastberaden hun werk doen en konden vertrouwen op de beefed up veiligheidsmaatregelen. Ze gaven geen krimp. Kop op, we're beefed up! Tegelijk kregen ze de stuipen op het lijf gejaagd. De politie van New York riep iedereen op waakzaam te zijn en daarbij vooral te

letten op het risico van autobommen en van `chemische stoffen in ventilatiesystemen'.

Vooral dat laatste is intrigerend. Hoe ga je te werk? Als je binnenkomt in een kantoor of winkel even controleren of er soms mosterdgas uit de airconditioning komt? Dat lijkt me niet praktisch. Dus stel dat je werkelijk bang bent – dan nog niks. Je kunt je alleen maar overgeven aan de experts van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Ook niet zo'n aanlokkelijke gedachte.

De paradox in de situatie is dat niemand kan ontkennen dat de dreiging van terroristische aanslagen volkomen concreet blijft – ze hebben plaatsgehad en kunnen zich herhalen – maar dat de angst ervoor totaal abstract is. Een vage dreiging, een ongrijpbaar gevaar, waar je als individu machteloos tegenover staat, zoiets als de angst van de middeleeuwer voor de builenpest, de angst in de jaren vijftig en zestig voor de atoombom, of de eeuwige angst voor het Armageddon en de jongste dag.

De autoriteiten aarzelen tussen waarschuwen, wat op den duur of tot afstomping leidt (we geloven het wel), of erger, tot paniek en massahysterie, tot een wereld vol ongure types en verdachte pakketjes, de onverdraaglijke vrees dat er gif uit de kraan komt in plaats van drinkwater.

Dit is uiteraard het wezen van terreur, niet primair de geweldpleging zelf, maar de voortdurende bedreiging van lijf en goed, met als doel mensen te demoraliseren door hen te laten leven in angst. Het is dus vooral een vorm van psychologische oorlogvoering. Als de regeringen van de landen waarop de terroristen het gemunt hebben hun bevolking gerust kunnen stellen of voldoende vertrouwen kunnen bieden, mist het terrorisme zijn uitwerking.

President Bush verscheen gisteren, vergezeld van een soort oorlogskabinet, voor de televisie om het Amerikaanse volk in krachtige en zelfbewuste termen mee te delen dat de bureaucratie van de terrorismebestrijding wordt gecentraliseerd. ,,The nation is in danger'', zei hij omineus. Voor wie de Europese geschiedenis kent – Bush niet, vermoed ik – roept dit onmiddellijk een associatie op met de beroemde proclamatie `Het Vaderland in Gevaar' (La Patrie en Danger) die de Wetgevende Vergadering van de Franse Republiek op 11 juli 1792 afkondigde om het hoofd te bieden aan alle binnen- en buitenlandse vijanden. De mobilisatie van de Nationale Garde werd afgekondigd, de besturen van departementen, districten en communes moesten in permanente zitting bijeen zijn. Een jaar later brak officieel de periode van de Terreur – het revolutionaire schrikbewind – aan. (Dat was de geboorte van het begrip terrorisme).

De boodschap van Bush was dubbelzinnig: het land staat aan de rand van de afgrond, maar maakt u zich geen zorgen, vertrouw op MIJ. Het probleem is echter dat vertrouwen, ook als antidotum tegen terrorisme, een even abstract begrip is als angst. De verkiezingsstrijd tussen Bush en Kerry draait vooralsnog precies om die abstractie: wie verdient, ter afwending van terroristische aanslagen, het meeste vertrouwen?

Volgens sommige Democraten manipuleert Bush de angst. Hoe groter de angst, hoe meer behoefte aan een sterke leider, luidt deze redenering. De voormalige presidentskandidaat Howard Dean ging daarbij zover te suggereren dat de in New York en elders ingestelde alarmfasen niets anders waren dan een truc om Kerry de wind uit de zeilen te nemen. Het is stomweg onmogelijk, zei Dean, om te weten hoeveel van de beweerde bedreigingen reëel is en hoeveel alleen maar politieke tactiek.

Nu is dit een beproefde complottheorie. ,,Cui bono?'' Wie heeft er baat bij angst voor het terrorisme? Er zijn zelfs commentatoren die redeneren dat de aanslagen van 11 september 2001 de Amerikaanse neoconservatieven bijzonder goed zijn uitgekomen. Dat moge een paranoïde hersenspinsel zijn, feit is dat de angst voor het terrorisme zich leent voor politieke manipulatie. In ieder geval is er weinig aanleiding blindelings te vertrouwen op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, alleen al gezien de Amerikaanse en Britse onderzoeksrapporten die daarover recent zijn verschenen.

Het is waar dat je als individuele burger tegenover een terroristische dreiging geen ander verweer hebt dan een zekere mate van vertrouwen in de bescherming door de overheid. Van die kant zoekt men het in ruimere en ongecontroleerde bevoegdheden van de veiligheidsiensten, afbraak van de privacy, afbraak van de rechten van verdachten, enzovoort. Niet alleen in de VS, ook in Nederland. CDA-fractievoorzitter Verhagen bijvoorbeeld roept dat de ijzeren regel van het strafrecht `beter tien schuldigen op straat dan één onschuldige in de cel' niet meer opgaat. ,,Wij zullen moeten doorpakken. Dat houdt ook in dat wij ons niet te veel moeten bezighouden met juridische beren op de weg.''

Stel daar tegenover de uitspraak van het Amerikaanse Hooggerechtshof waarin gehakt werd gemaakt van de uitzinnige claim van Bush dat verdachten van terrorisme geen recht hebben op een eerlijk proces. En stel daar eveneens de waarschuwing tegenover van de voorzitter van de Nederlandse Juristenvereniging J.W. Fokkens dat de vraag rijst of regeringen niet bezig zijn in hun ijver en hun verlangen het terrorisme te bestrijden de rechtsstaat die zij willen beschermen, aan te tasten.

Als het niet meer de rechtsstaat is waarop wij kunnen en moeten vertrouwen, heeft de strijd tegen het terrorisme geen enkele zin.