Wees innovatief in de handel!

Nederland moet zich niet van de wijs laten brengen door vertolkers van de mening dat investeren in bètastudies de beste garantie vormt voor de ontwikkeling van de kenniseconomie, meent Frank A.G. den Butter.

Volgens de zogeheten Lissabon-strategie moet Europa de meest dynamische en competitieve economie van de wereld worden. Om dat te bereiken hebben we een toverformule: innovatie. Wanneer we maar veel hoogwaardige kennis verwerven, komt het wel goed met de economische kracht van Europa, zo is de heersende beleidsopvatting.

Helaas laten de statistieken zien dat, zeker in Nederland, de kennisinvesteringen achterblijven bij de in Lissabon geformuleerde doelstellingen. Het innovatieplatform en allerlei verlokkingen voor degenen die een bètastudie kiezen, moeten hierin verandering brengen.

Waarom deze drang naar kennis en innovatie? Dat komt omdat meer kennis de productiviteit doet toenemen. Daardoor kunnen bedrijven beter concurreren en krijgen we meer economische groei en welvaart.

Met deze redenering is niets mis. In het beleid wordt daarbij echter vooral gedacht aan productie in traditionele zin, zelfs aan industriële productie. En dan is het ook nog eens hoogwaardige technologie waar we goed in moeten worden.

Wat dat betreft behoren we niet tot de top van de wereld, maar die moeten we wel zien te bereiken. De Verenigde Staten, en nu een tijdlang ook Finland, vormen onze lichtende voorbeelden. Waarom?

Laten we toch vooral beseffen dat we een land van kooplieden zijn. In de handel behoren we vier eeuwen lang tot de top van de wereld. Adam Smith wist dat al: Nederland gold bij hem als het lichtende voorbeeld van een handelsnatie.

Ook voor de vraag hoe we via innovaties de groei kunnen bevorderen kunnen we bij Adam Smith te rade gaan. Het is de arbeidsdeling die hij in zijn voorbeeld van de speldenfabriek als de bron van welvaartsgroei ziet. Arbeidsdeling en specialisatie zorgen ervoor dat de productiviteit, en daarmee de welvaart, toeneemt.

Toch zit er een bovengrens aan die arbeidsdeling. Immers, werkzaamheden moeten op elkaar afgestemd worden. Aan die afstemming zijn kosten verbonden: transactiekosten. Innovaties die voor lagere transactiekosten zorgen zijn net zo goed voor de productiviteit als hoogwaardige technologische vondsten.

Het probleem is echter dat zulke innovaties in de sfeer van de transacties niet in de gegevens zijn terug te vinden waaraan onze vorderingen in de Lissabon-strategie worden afgelezen. Vandaar dat dit soort innovaties zo gemakkelijk over het hoofd wordt gezien.

Het gaat daarbij vooral om de vaardigheid van het handel drijven. Transactiekosten zijn in de handel van groot belang. Deze kosten vloeien onder meer voort uit het vinden van een geschikte handelspartner, het onderhandelen over en het afsluiten van een contract, het controleren van de naleving van het contract en het opleggen van sancties indien de afspraken worden geschonden.

De transactiekosten worden voor een deel veroorzaakt door formele handelsbarrières, zoals invoertarieven, maar voor een belangrijker deel door informele barrières die het gevolg zijn van verschillen in taal en cultuur, gebrek aan kennis en onvoldoende vertrouwen. Nederlanders hebben van oudsher een goede neus voor dit soort zaken.

Dat maakt ons tot een handelsland. Het is van belang dat Nederland deze positie in de toekomst weet te handhaven.

Actueel in dit verband is de tendens om steeds meer werk uit te besteden. `Outsourcing' of `global sourcing' betekent in feite een verdergaande, wereldwijde arbeidsdeling. Dat valt niet tegen te houden: allerlei maatregelen om dat wel te doen belemmeren op termijn de welvaartsgroei.

Outsourcing betekent echter ook meer transactiekosten bij de organisatie van de productie. Hoe lager deze kosten zijn, des te meer outsourcing mogelijk is en des te lager de productiekosten zullen zijn.

Juist op dit soort activiteiten zou Nederland als handelsland zich moeten richten. In feite gaat het hierbij om innovaties in de regiefunctie van de productie. Het is voor ons land van belang zodanige kennisinvesteringen te doen zodat we die regiefunctie weten te behouden.

Kortom, het is deze regie- en handelsfunctie waar voor Nederland de kansen voor onze innovatieve creativiteit in de kenniseconomie liggen. We moeten niet opkijken tegen de hoogwaardige technologische kennis van anderen, maar blijven doen waar we van oudsher goed in zijn. Dat is handelen. Denk maar eens aan de naam van deze krant.

Frank A.G. den Butter is hoogleraar economie aan de Vrije Universiteit te Amsterdam.