Mangotuin

Wraak is, in zekere zin, zoet. Ik zit met mijn vader in een gemakkelijke stoel op een terras, met uitzicht op een mangotuin. Het terras hoort bij het landhuis van de landheer en het uitzicht is misschien net zo weelderig als pijnlijk. ,,Mijn vader'', zegt mijn vader plechtig, ,,moest dit land verlaten omdat hij mango's had geplukt in de tuin van de landheer.''

,,Mijn grootvader was een mangodief'', vat ik kort samen. Mijn vader protesteert: ,,Hij had die groene mango's nodig om er met pepers en kruiden atjar van te maken, wat smaak gaf aan de laffe maaltijden die hij nuttigde''.

(Laf en nuttigen zijn typische woorden die mijn vader als onderwijzer gebruikt, hij is van de vooroorlogse generatie.) ,,Verfijnde smaak had mijn grootvader'', zeg ik, om de stemming niet te bederven. Maar die is al bedorven.

Honderd kilometer hebben we gereisd om vanuit Delhi hier te komen. Hier is de mythische plek vanwaar duizenden en duizenden Indiërs zijn vertrokken, richting Guyana, Trinidad, Suriname. Waarom ik de plek mythisch noem? Geen idee eigenlijk, een plek wordt mythisch als veel mensen er naar toe willen, zonder dat je begrijpt waarom.

In feite is er niets mythisch aan het platteland. De enige verdienste van mijn grootvader was dat hij weg wilde van deze mythische plek, dus deze plek niet mythisch genoeg vond.

Ik vind mythisch trouwens een flauw woord, tegenwoordig steken mensen geen zeven zeeën over om hun lot te verbeteren, ze nemen de trein en zijn in een halve dag in een stad waar ze nooit meer buffels en koeien hoeven te verzorgen.

Neem bijvoorbeeld Dinesh. Toen ik vorig jaar uit India wegging, gaven mijn vrienden en ik hem een auto cadeau, met als opdracht dat hij terug zou gaan naar zijn dorp en de schoolkinderen gratis naar school zou rijden. Hoefden ze niet een uur te lopen. Voor de rest mocht hij de auto gebruiken zoals hij wilde.

Terug in India ontmoet ik Dinesh weer in de stad. De auto heeft hij verkocht. Te veel kosten voor onderhoud. Ik vraag hem naar de kosten.

Smeerolie, blijkt. Maar elke auto heeft smeerolie nodig, roep ik. Dat wist hij niet.

Hoe had hij het kunnen weten? Was het geen overmoed onzerzijds, te verwachten dat hij dat zou begrijpen en incalculeren? Dinesh is een goede jongen, maar ongeschoold. En ongeschoold betekent dat hij niet heeft leren denken. Denken moet je leren, inderdaad. Denken houdt twee dingen in: onthouden en prioriteiten stellen. De meeste dorpelingen kunnen vanwege hun natuurlijke aanleg twee, zelfs drie dingen onthouden. Maar prioriteiten kunnen ze niet stellen, ze kunnen niet ordenen. Vraag een kamermeisje in een hotel in Delhi om een schoon laken en een rol toiletpapier, ze staat een uur in de gang na te denken wat eerst komt. Het laken of de rol.

Iets dergelijks is dus ook gebeurd met onze Dinesh. Maar bij hem was het ernstiger.

Hij vertrok vorig jaar met de auto naar het dorp. Precies zoals wij, welwillende burgers, het hadden gewild. De jongen begon te rijden en te verdienen. Maar dat hij steeds iets opzij moest leggen, vanwege onderhoud of afschrijving, dat inzicht ontbrak. Iedere keer dat hij flink geld verdiende, tijdens een bruiloft, of bij de verkiezingen, ging het extra geld op aan onderhoud, niet van de auto, maar van de familie. Neef of oom of achternicht, iedereen had natuurlijk geld nodig.

Als denken al moeilijk is, is vooruitdenken helemaal lastig. Wat jongens als Dinesh niet kunnen, is juist dat: vooruitdenken. Afschrijving is een niet te vatten begrip voor dorpelingen. Van een os weet je dat die veertien jaar dienst doet en dan dood gaat, maar hoe doe je dat met een tractor of een auto? Die grazen niet zelf, die willen onderhoud, maar als je geld voor onderhoud opzij legt, noemen ze je in het dorp een gierigaard en verlies je elke status.

Arme Dinesh, hij reed zijn auto een jaar in het dorp, verkocht die voor een appel en een ei, en kwam weer terug naar de stad, in dezelfde berooide staat als vóór de auto. Nou, niet helemaal, hij had wel wat geleerd. Hij kon nu autorijden en werd taxichauffeur, maar hij verdient net genoeg om zichzelf in leven te houden. Zijn vrouw en kinderen worden onderhouden door de dorpelingen. Daarom zijn de taxiritten in Delhi zo goedkoop.

Eigenlijk kun je zeggen dat alle sociologie daarover gaat: over de botsing tussen boeren en burgers, tussen dorpelingen en stedelingen, tussen degenen die wel hebben leren denken en degenen die dat niet kunnen. Zij die niet hebben leren denken zijn de armen die de goedkope arbeidskracht leveren aan degenen die hebben leren denken. En het is die sprong die je een mirakel zou kunnen noemen: de sprong van niet kunnen denken naar wel kunnen denken.

Volgens mij heeft Dinesh een vaag besef van die sprong, alleen kan hij die niet zelf maken. Hij hoopt dat ooit zijn dochter naar school zal kunnen en leert denken. Mijn grootvader moet ook dat vage besef hebben gehad. Dat verhaal van de mangodiefstal zal overdreven zijn, misschien is het zelfs helemaal onjuist. Hij verliet deze plek in de hoop dat zijn zoon zou leren denken, wat ook gebeurt is. En kijk eens wat het heeft opgeleverd. De landheer van toen is nog steeds de landheer van nu, alleen drie generaties verder. Deze landheer heeft nog altijd niet leren denken, hij verhuurt nu zijn landhuis en leeft van de opbrengst.

En wij, mijn vader en ik, huren nu zijn landhuis en kijken uit op een prachtige mangotuin. Jammer dat mijn grootvader dit moment van wraak niet heeft kunnen meemaken.

ramdas@nrc.nl