Dichters en lezers zijn verwanten op Het Tuinfeest

Op het jaarlijks terugkerende poëziefestival Het Tuinfeest in het centrum van Deventer lazen dichters zaterdagavond voor uit eigen werk. De fans en de dichters kwamen dicht bij elkaar. ,,Ik vind je geweldig, Ramsey!''

,,Oh, dat is Komrij, loop maar door.'' De twee vrouwen van middelbare leeftijd versnellen hun pas. Er worden verder geen woorden aan vuil gemaakt: voor hen geen poëmen van Gerrit Komrij op poëziefestival Het Tuinfeest. Het is streng en vlug oordelen, en dat kan niet anders op deze warme zaterdag in het centrum van Deventer: op vijf verschillende locaties in de open lucht treedt een dertigtal dichters op. Het is onmogelijk om ze in de loop van de avond allemaal te beluisteren. Zoals een van de vijftienhonderd bezoekers het om een uur of elf 's avonds verwoordt: ,,Ik zit vol, er kan niets meer bij.''

De prachtige tuinen in de binnenstad van Deventer, het mooie weer en de geoliede organisatie zorgen ervoor dat Het Tuinfeest het leukste poëziefestival van Nederland is. Publiek en dichters bewegen zich door dezelfde oude straatjes, wat zorgt voor een intiem gevoel. In Deventer kun je een dichter – Menno Wigman in dit geval – opgelucht horen uitroepen: ,,Ik was van tevoren zo zenuwachtig, gelukkig ging het heel goed.'' Naast de enige kraam van een boekhandel – die heel veel bundels verkocht – zitten de dichters in ploegendiensten te signeren. Een meisje laat Rutger Kopland zijn handtekening zetten op haar festivalshirt. ,,Ik geloof dat het een watervaste pen was,'' zegt ze na afloop tevreden. Iemand anders vraagt voormalig dichter des vaderlands Komrij of hij zijn bloemlezing uit het werk van de negentiende-eeuwse dichter Didymus wil signeren. ,,Een bundel van een ander signeren is heel ongebruikelijk, hoor. Maar goed, deze dichter is al honderd jaar dood, daar krijg ik geen last mee.''

De gemoedelijke sfeer wordt bij het optreden van Rogi Wieg even onderbroken. ,,Hier komen was een hele worsteling,'' zegt de dichter-kunstenaar in de Athenaeumtuin, de meest beschutte tuin, die geheel door oude muren wordt omsloten. Wieg kijkt niet naar het publiek, dat op houten banken naar hem zit te luisteren, maar naar de microfoon voor hem. ,,Ik voelde me vanochtend erg depressief, dus ik had me ook kunnen omdraaien in mijn vuile lakens.'' Hij verwijst met die opmerking naar het gedicht De ander, dat hij net heeft voorgelezen. ,,Maar ik ben gekomen, omdat ik toch schoonheid wil overbrengen op anderen.'' Wiegs optreden is zo open, dat hij bijna te dichtbij komt. In het halfuur dat hij op het kleine podium staat, komen depressies, zelfmoordpogingen en het verschrikkelijke verbod om zijn dochter te zien aan de orde. ,,De thema's zijn zwaar, ik heb veel meegemaakt,'' zegt Wieg daarover. Om zijn positie in de wereld kort daarna – in poëzie – weer te relativeren: ,,Wat een grote woorden allemaal / voor een dwerg op een houten paard.''

Het kwetsbare, indrukwekkende optreden van Wieg stond in contrast met de theatrale aanpak van enkele extraverte, retorisch getalenteerde dichters, zoals de acteur Ramsey Nasr en de Antwerpse dichter Tom Lanoye. Die laatste ging bij het voordragen uit zijn Shakespeare-bewerking Ten oorlog een beetje over the top. De woeste kreten van Lanoye misten hun doel, maar met zijn veel ingetogener voordracht van het gedicht Poker compenseerde hij dat weer. ,,Het is tijd voor open spel, mijn / liefste. De kaarten op de tafel. Ik heb / er twee: mijzelf en wat ik schrijf. Ze / zijn van weinig waarde, om niet / te zeggen van geen tel.''

Tussen het onverbloemd persoonlijke van Wieg en het gedistantieerd vormelijke van Lanoye in, zweeft Tjitske Jansen. Vorig jaar pas debuteerde de Utrechtse bij uitgeverij Podium, nu al ze is een populair programmaonderdeel. Een fan – ,,Ik heb e-mail contact met haar!'' – heeft alle drie de optredens van Jansen bezocht. Andere dichters kent hij niet echt. ,,Ik dacht altijd dat poëzie niets voor mij was, maar haar gedichten vind ik heel mooi.'' Het optreden van Jansen op het hoofdpodium – daar waar de meeste houten banken staan – roept bij het publiek een ouderwets soort instemmende reacties op. Alsof ze de verfijnde observaties van Jansen herkennen, en dat aan de dichter willen laten merken. Instemmend gemompel valt Jansen ten deel bij herinneringen aan haar eigen kindertijd, maar ook als ze over de liefde spreekt: ,,Ik wil een privé-detective / met een goed karakter / die dag en nacht bij mij moet zijn / om redenen die buiten me liggen. // Zolang de zaak onopgelost is / zal hij me niet verlaten / zodat hij langzaam / van mij kan gaan houden.'' Een vrouw in het publiek slaakt na deze woorden een diepe zucht van herkenning.

Je zo verbonden voelen met een dichter, en dat vervolgens willen uiten, is best moeilijk. Een vrouw klampt bij de ingang van het café Ramsey Nasr vast: ,,Ik vind je geweldig, Ramsey,'' zegt ze bijna wanhopig. Nasr glimlacht en bedankt haar. Dan zegt een andere vrouw, nog wanhopiger: ,,Ik vind je ook geweldig!'' Nasr kijkt bedremmeld en vlucht het café in. Aan een grote tafel in de verre hoek scharen wat dichters samen. Zij willen geen handtekeningen meer op T-shirts zetten.

In de Fiévieztuin is Willem Jan Otten dan nog bezig met zijn optreden. Gezeten in het gras en voorzien van flessen rosé, luisteren groepjes mensen naar 'Bwa-Pl', een gedicht over een fietstocht van vader en zoon naar de randmeren. ,,Ik zei: dit is nu water. / Wa-ter. / Wa-ter. / Wa-ter zei ik nog een keer. / En jij zei: bwa-pl. / Je zei het nog een keer. / Het was zeker, zoontje van mij, / dat wij hetzelfde niet begrepen.''