Loonmatiging is niet ouderwets

De laatste weken wordt weer bepleit het beleid dat mikt op loonmatiging los te laten. Er zou een strategie moeten worden gekozen die gericht is op productiviteitsbevordering die wordt afgedwongen door loonstijgingen. In deze krant pleitte Paul de Beer hiervoor (Opiniepagina, 13 juli), daarbij aansluitend op soortgelijke geluiden van PvdA-leider Bos. Al langer wordt deze opvatting naar voren gebracht door de Delftse hoogleraar Kleinknecht.

Het komt erop neer dat een gematigde loon(kosten)ontwikkeling ondernemers lui maakt en hen onvoldoende aanzet tot het doen van nieuwe investeringen. Daardoor maken ze te weinig gebruik van de nieuwe technologie die in dergelijke investeringen is opgenomen. Loonstijgingen dwingen nieuwe investeringen af in kapitaalintensieve productiewijzen en zetten aan tot innovatie. De Nederlandse economie floreert als gevolg van de productiviteitsstijging die dan weer nieuwe loonstijgingen mogelijk maakt.

Afgezien van het feit dat het met het niveau van die productiviteit in Nederland wel meevalt, lijdt de voorgaande redenering aan een belangrijk manco. Zoals De Beer terecht opmerkt is het zinloos om in Nederland gevestigde ondernemingen de concurrentie op loonkosten te laten aangaan met bedrijven in China of India. Daarbij kan de via loonmatiging behaalde winst als sneeuw voor de zon verdwijnen als gevolg van een ongunstige wisselkoersontwikkeling. In de praktijk gebeurt dit dan ook niet veel. Het probleem met het recept van De Beer e.a. is dat het een variatie is op het idee `one size fits all'. Dat is om zowel economische als sociale redenen problematisch.

In bedrijven of bedrijfstakken waar voldoende winst wordt gemaakt en/of de productiviteit voldoende stijgt, is het geen enkel probleem om in de CAO een hogere contractloonstijging vast te leggen of om meer te betalen dan de CAO voorschrijft. In de huidige recessie zijn er echter veel bedrijven en bedrijfstakken in de rode cijfers beland. Voor deze bedrijven is elke loonstijging te veel.

Macro-economisch is dit zichtbaar in het beslag dat het totaal aan arbeidsinkomsten legt op het nationaal inkomen, de arbeidsinkomensquote (AIQ). Ooit vonden werkgevers en werknemers in de SER een waarde van 80 procent evenwichtig. Deze AIQ beweegt zich nu rond 87 procent, na een snelle stijging in de afgelopen jaren. Een stijging van de arbeidsinkomensquote vertaalt zich met een angstige precisie in een daling van de werkgelegenheid en een stijging van de werkloosheid.

Een hoge AIQ betekent dat er in veel bedrijven weinig geld overschiet om te investeren. Hand in hand met het oplopen van de AIQ zijn de investeringen gedaald. Weg technologische vernieuwing! Daarbij ondervinden bedrijven in Nederland wel degelijk internationale concurrentie. Het eurogebied is voor veel bedrijven de belangrijkste afzetmarkt of de vestigingsplaats van de belangrijkste concurrenten en hier liggen de wisselkoersen vast. Jarenlang stegen de lonen in Nederland te snel, waardoor bedrijven marktaandeel verloren. Je zou dit kunnen zien als een natuurlijk experiment om de theorie van De Beer c.s. te toetsen. De uitkomst is nu bekend.

Als alternatief kan het voorbeeld van Ierland dienen. Daar zijn productiviteitswinsten niet vertaald in even grote loonstijgingen. Door deze strategie jaar op jaar vol te houden, is men er in geslaagd investeringen vrij te spelen voor het opzetten en verankeren van een industriële basis. Een ontwikkeling die niet elke productiviteitsstijging meteen vertaalt in een stijging van de lonen, maakt investeringen in nieuwe technologie mogelijk en een verdere stijging van productiviteit. Een loongolf is het laatste wat daarvoor nodig is.

Een logische tegenwerping tegen het voorgaande is een pleidooi voor meer beloningsdifferentiatie: alleen daar meer betalen waar het goed gaat. Afgezien van het feit dat een dergelijke strategie moeizaam blijkt vol te houden omdat zich een systeem van `wage leaders' ontwikkelt, dat de trend zet voor loonstijgingen in andere sectoren, leidt dit tot een ander probleem. Hier gaat het om de sociale dimensie van loonmatiging.

Ook in Nederland zijn er sectoren waar voldoende ruimte is om de lonen te laten stijgen. Over meer jaren gezien zijn dit vaak dezelfde sectoren, bevolkt door veelal hoogopgeleiden die prima voor zichzelf weten op te komen. In sectoren met veel laagbetaalde banen en zonder riante secundaire arbeidsvoorwaarden zal er zowel in een hoogconjunctuur als in een laagconjunctuur veel minder ruimte zijn voor een stijging van de contractlonen. De rijpheid van producten of het arbeidsintensieve karakter van de diensten maakt dat de productiviteitsstijging gering is. Het moet dan uit de lengte of uit de breedte komen, dus als hogere lonen worden overeengekomen, zal er onherroepelijk personeel uit vliegen. Dit terwijl er zoveel mensen in Nederland zijn aangewezen op banen warvoor geen flinke salarissen worden betaald.

Meer differentiatie in beloning is economisch gezien prima, maar dan zullen we de doelstelling van een solidaire inkomensontwikkeling overboord moeten zetten. De mensen in de achterban waarvoor de partij van Bos zich traditioneel sterk maakt, worden zo in de kou gezet: zij verliezen hun baan of zien de eigen koopkracht onder druk komen.

Een gematigde loonontwikkeling is niet alleen nodig om ruimte te maken voor investeringen en daarmee economisch herstel mogelijk te maken. Het dient ook een evenwichtige inkomensontwikkeling, waarbij brede groepen kunnen delen in de welvaartsstijging die hiervan het gevolg is.

Wouter Roorda is econoom en houdt zich bezig met arbeidsverhoudingen.