Wars van hoogdravendheid

Bas Roodnat, de voormalige redacteur van NRC Handelsblad die in de nacht van zaterdag op zondag op 74-jarige leeftijd in zijn woonplaats Tricht overleed, was een journalist met zeer uiteenlopende carrières. Hij begon bij Het Parool, waar hij uitgroeide tot een symbool van de `grote journalistiek', hij was verslaggever bij de actualiteitenrubiek Achter het nieuws van de VARA-tv en hij was chef-Amsterdam en kunstredacteur van deze krant. Bas Roodnat was ook fotograaf en publiceerde boeken. In al die hoedanigheden bleef hij zichzelf: een sterk sociaal voelend journalist die zijn werk niet vanachter zijn bureau deed, maar er juist op uitging. Roodnat was wars van hoogdravendheid en had een scherp oog voor wat anderen niet zagen of wilden zien.

Zo schreef Bas Roodnat voor Het Parool, waar hij in 1949 in dienst kwam, in de jaren vijftig uitvoerig over de nozems op de Nieuwendijk en ook een opmerkelijke reportage over `de homoseksuelen' toen aan hun bestaan nauwelijks ruchtbaarheid werd gegeven. Om voor hen begrip te wekken verplaatste hij zich eerst in de lezer die er niets van wist en schreef dat het ,,even vreemd'' was om in de club De Schakel van het COC mannen met mannen te zien dansen. Ook de voorzitter beaamde dat: ,,Onze nieuwe leden, die hier dus voor het eerst komen, vinden het in het begin ook een beetje griezelig.''

De reportage verscheen later in het boek Amsterdam is een beetje gek (1960), een bundel verhalen uit Het Parool met veel human interest en taboe doorbrekende artikelen, zoals over pornografie en penoze. Bij Achter het nieuws, waar Roodnat in 1964 na vijftien Parool-jaren ging werken, maakte hij spraakmakende reportages. Maar hij bleef in zijn hart een schrijvende journalist en had een hekel aan de volgens hem te korte tv-items. In 2001 vertelde Bas Roodnat in het Parool Theater anekdotes uit zijn vroege jaren bij krant en televisie. ,,Ik leidde het vermoedelijk eerste serieuze discussieprogramma over zelfmoord. En ik besloot met de woorden `Heren, zullen we er een eind aan maken?'

In 1973 werd Roodnat, na een conflict met Achter het nieuws-chef Herman Wigbold, chef van de Amsterdamse redactie van NRC Handelsblad. Later werd hij tot zijn grote genoegen kunstredacteur en schreef vooral over fotografie, toen als `kunst' in opkomst, en figuratieve beeldende kunst, destijds voor velen passé. Roodnat ging vaak naar tentoonstellingen in musea en galeries buiten de Randstad, ver van het modieuze beeldende-kunstcircuit en maakte interviews met minder bekende kunstenaars in hun atelier.

Roodnat was bij de kunstredactie een bijzonder type journalist en wist als geen ander hoe een krant werkt. Als hij een verhaal inleverde, zei hij er vaak bij dat het maar gauw op de kunstpagina moest, omdat hij had gehoord dat andere kranten er ook achteraan zaten. In de Baskrant, die in kleine oplage verscheen bij Roodnats 40-jarig journalistenjubileum, schreef de toenmalige toneelredacteur Jac Heijer: ,,Af en toe denk ik dat Bas ons maar een stelletje elitaire highbrows heeft gevonden, waarbij hij zich niet thuis wenste te voelen.'' Maar Bas Roodnat wilde niet anders dan kunstredacteur zijn, al stak hij vaak de draak met de hoogdravende diepzinnigheid die hij daar voelde.

Bas Roodnat maakte vaak foto's bij zijn eigen stukken, want hij was ook fotograaf die fotoboeken schreef en foto's exposeerde. Roodnat kenschetste zichzelf als iemand die `beter kan fotograferen dan de meeste schrijvers en beter kan schrijven dan de meeste fotografen'. Op de vrijdag dat in het Cultureel Supplement de stelling werd geponeerde dat fotografie geen kunst was, weersprak hij die mening alvast op de kunstpagina.

Geruchtmakend was in 1987 Roodnats verhaal over het schilderij Utopia van Rob Scholte. Hij signaleerde dat de voorstelling van een liggende figuur met daarachter een beeld van een negertje dat koffie brengt, een variant was op het schilderij Olympia van Manet, dat weer een variant was op het schilderij Venus van Urbino van Titiaan. En hij onthulde dat Scholte's versie met een liggende ledenpop en het knechtje al eerder zo was geschilderd door Paul Spooner. Roodnats artikel leidde tot een heftig debat over originaliteit, citeren, eerbetoon en plagiaat, waarin Scholte zich weer op eigen wijze mengde. Hij schilderde op groot formaat het artikel van Roodnat na, mèt alle illustraties en elke letter leesbaar: de kopiïst kopieerde de kritiek op kopiëren.

Bas Roodnat was auteur en samensteller van een aantal boeken over Amsterdam, onder anderen samen met Oscar van Alphen en Peter van Straaten. Andere boeken waren de neerslag van consequent volgehouden langetermijnprojecten. Zo fotografeerde hij talloze verbleekte, op muren geschilderde reclames, hij maakte foto's van de bouw van de Stopera en hij fotografeerde steeds opnieuw de begraafplaats van de nieuwe stad Almere, vanaf het moment dat daar nog niemand was begraven. Het werk van een straatnaamschilder aan één opschrift in Venetië legde hij vast in elf foto's.

Zulke series over dingen die zich in het verborgene afspelen en te maken hebben met het verglijden van de tijd, kwamen terecht in een serie privé-publicaties van de ontwerper Teun van Zanten. Dat ze niet in de boekhandel lagen, betreurde hij niet. ,,Al bestond er maar één exemplaar van elk deel, dan was dat voldoende. Dat het bestaat, daar gaat het om. Ook wilde hij een boek wijden aan `de dingen': ,,Het mooiste museum ter wereld zou zijn wanneer van iemand alles bewaard werd, wat hij in zijn leven had.''