Loslopende gekken

Tot nog niet zo lang geleden luidde het standaardantwoord op angstige klachten over extreem geweld in muziek en op televisie, dat verbeelding en werkelijkheid twee verschillende dingen waren. Dat Eminem er al rappend van droomde zijn moeder dood te steken en zijn ex-vrouw in elkaar te beuken, wilde helemaal niet zeggen dat hij dat ook echt van plan was – juist niet, je moest blij zijn dat hij het van zich af kon schrijven, dat voorkwam dat deze wandelende tijdbom nog eens de daad bij het woord zou voegen. Je eigen hoofd was een vrijplaats, waarin alles wat een aangepast mens in zijn dagelijkse bestaan had leren onderdrukken, onbekommerd zijn gang kon gaan. Blinde haat, moord, verkrachting en verminking, het zat nu eenmaal in de mens en wanneer hij die aanvechtingen mentaal ruim baan kon geven, bleef ons maatschappelijk veel ellende bespaard.

In het verlengde van die overtuiging ligt de opvatting dat georganiseerde ontsporingen, zoals het wangedrag van voetbalsupporters, ook een vorm van maatschappelijke ontlading is waar je maar beter blij mee kunt zijn. In zijn mooie voetbalboek A Season with Verona verdedigde de Britse schrijver Tim Parks zijn stelling dat sport, en vooral voetbal, niet alleen oorlog was voor de spelers, maar ook voor de fans; in het stadion is het mogelijk de teleurstellingen van je eigen aangepaste leven tijdelijk achter je te laten en je ongeremd te buiten te gaan aan gedrag waarvan je zelf ook wel weet dat het eigenlijk niet kan.

Parks rekende af met het idee dat sport sportief zou zijn, een en al olympische zuiverheid en respect; in het stadion heeft de onderbuik het voor het zeggen. Racistische spreekkoren, rondvliegende stoelen en in elkaar getrapte supporters van de tegenpartij – het is geen vrolijk gezicht, maar een noodzakelijke uitlaatklep in een wereld waarin iedereen geacht wordt steeds maar fatsoenlijker te worden. Angst en onzekerheid in de buitenwereld maken plaats voor het onverbiddelijke groepsgevoel van de aanhang; buiten het stadion voelt iedereen zich klein, binnen de cocon van het legioen kent de eigenwaan geen grenzen – en de tegenpartij moet gewoon dood.

Volgens die theorie is de absurde Duitslandhaat die tijdens voetbaltoernooien oplaait, dan ook niet meer dan gezond; met de Tweede Wereldoorlog heeft het allang niets meer te maken, het onder de grasmat schuiven van de Mannschaft is veel belangrijker dan welke oorlog dan ook. Na zo'n wedstrijd, wanneer de honger naar agressie is gestild, worden Duitsers gewoon weer een Europees buurvolk, aangepast en nietszeggend.

Ik heb lang geloofd in die theorie van Tim Parks – zodat ik pas laat in de gaten kreeg hoe vaag het onderscheid tussen waan en werkelijkheid in Nederland is geworden. Voetbal is hier geen ontlading meer, het is heel het leven geworden. Er is geen binnen en buiten het stadion – heel het land is een stadion. De infantiele obsessie met een verloren finalewedstrijd van dertig jaar geleden – in een van die eindeloze uitzendingen over dat nationale trauma moest de kijker raden hoe vaak Willy van de Kerkhof in 1974 als gast in een Duits spelletjesprogramma de bal door een gat in een kartonnen wand had geschoten – geeft het al aan: alleen een land dat niet meer in zichzelf gelooft, gaat zich zo sentimenteel te buiten aan loze nostalgie. Voetbal is de drager geworden van onze nationale onvrede.

De oprispingen van het Fortuyn-tijdperk, die je eerder in de politiek en de journalistiek zag, kreeg je de afgelopen weken ook in de sport voorgeschoteld, wat maar weer eens aantoont dat die revolte weinig met politiek te maken had. Nederlanders zijn als geen ander volk bedreven geraakt in het verpesten van hun eigen feestje.

Er was heel weinig feestelijks aan dit EK: het honen en smalen van onvolkomen mannen met verlopen koppen, dat treurige echelon van zelfgenoegzame schnabbelaars dat voor de Nederlandse sportverslaggeving doorgaat – volgevreten vedettes die afgeven op volgevreten vedettes – de agressie en de bedreigingen, en het al even opgeklopte het-kan-niet-zo-zijn van de politici, heel die kermis van ijdelheid onder het mom van oprechte betrokkenheid. En zoals altijd probeerde iedereen aan de zijlijn zich nog even snel een hoofdrol toe te eigenen in deze orgie van zelfvergroting – de ex-politicus Paul Rosenmöller vertelde op televisie dat hij geprobeerd had de bondscoach te bereiken en hem een hart onder de riem te steken, hij wist zelf immers zo goed hoe het voelde om bedreigd te worden.

Dan was er nog Jan Mulder, die niet meer ophoudt te verkondigen dat zijn oproep aan het volk om Dick Advocaat te stenigen en op te hangen niet letterlijk maar als hyperbool moet worden opgevat – dat lijkt me onnodig, want de trouwe fans van Mulder weten allang dat alles bij hem als hyperbool moet worden opgevat. In het Fortuyn-tijdperk hoef je je aan niets meer verplicht te voelen, behalve aan je eigen behoefte aan aandacht.

En ten slotte was er onze minister-president, die zijn bêtise van een jolig niets-aan-de-hand kaartje vanuit de Trêves-zaal, terwijl Nederland aan bestuursloosheid ten onder dreigde te gaan, toch weer wist te overtreffen: Mulder had op hoge toon zijn excuses geëist, en de premier was er aan de vooravond van zijn belangrijkste politieke uitdaging tot nu toe – het Nederlandse voorzitterschap van de Europese Unie – eens even goed voor gaan zitten. Ironie of geen ironie, schreef Jan Peter Balkenende, de televisiepersoonlijkheid Mulder moest zich bewust zijn van zijn verantwoordelijkheden; er hoefde maar een loslopende gek te zijn die geen gevoel had voor Mulders ironische fijnzinnigheid, en Dick Advocaat lag bloedend op straat.

Sinds Volkert van der G. wordt er in Nederland heftig gekoketteerd met loslopende gekken – zoals er van alle kanten heftig gekoketteerd wordt met bedreigingen en bedreigd worden. Echte loslopende gekken moeten de tijd van hun leven hebben; hun aanzien is nog nooit zo groot geweest.

Onbedoeld legt onze minister-president bloot waar het aan schort; in zijn ludieke poging om een ontspoorde samenleving normbesef bij te brengen, bevestigt hij alleen maar het beeld van ons nationale stadion, waar de rabiate spreekkoren elkaar overstemmen, waar de televisiepersoonlijkheid de agenda van de premier bepaalt, waar iedereen elkaar schoffeert en de les leest – en waar uiteindelijk alles om het even is.