De jeneverbes vergrijst

Het gaat niet goed met de jeneverbes in Nederland. De knoestige struiken lijden onder een gebrek aan verjonging.

DE JENEVERBES dreigt met stille trom uit ons land te verdwijnen. Ze staan er nog wel, de knoestige struiken met hun grillig gevormde kruinen en wijd uitwaaierende takken. Maar de vraag is hoe lang nog. Veel jeneverbesstruiken blijken hoogbejaard en de afgelopen 60 jaar is er nauwelijks verjonging opgetreden. Kiemplantjes verschijnen niet meer of worden door schapen op de hei een kopje kleiner gemaakt. ``De jeneverbes staat in Nederland op uitsterven. Het is de panda onder de bomen!'', zegt landschapsecoloog Wim Knol van Alterra in Wageningen. Hij heeft zojuist de laatste hand gelegd aan het rapport `Jeneverbes in de verdrukking', een poging om deze teloorgang te ontraadselen. Hij ploegde de vakliteratuur door en sprak met praktijkmensen. Knol: ``Het probleem speelt trouwens ook in de ons omringende landen. Maar in Oost-, Midden en Zuid-Europa is de verjonging nog geen probleem. Heel merkwaardig.''

Fairy circle

De jeneverbes groeit op zandverstuivingen en heides, soms in droge, armelijke bossen, zelden in de duinen. Hij luistert naar streeknamen als Ekelaar, Dammerbos en Lammerenhout. De Duitsers noemen hem Kramsvogelbes, omdat de rijpe blauwe bessen bij kramsvogels in trek zijn. De Engelsen spreken van Fairy Circle. Vanouds spreken de bizarre vormen van de jeneverbes (Juniperis communis) tot de verbeelding. Op schemerige winterdagen, als de mistflarden laag boven de heide hangen, dansen hier de witte wieven. Vroegere bewoners plantten de struiken bij hun huizen. Volgens het volksgeloof mochten de struiken niet worden gekapt omdat daarin de zielen van de voorouders zouden huizen. Bij nieuwbouw moest een takje jeneverbes onder de eerste steen de bewoners geluk brengen. Bij Twentse bruiloften werd de voordeur van het bruidspaar met takken jeneverbes versierd en soms werd een sterfkamer met brandend jeneverhout uitgerookt om kwade geesten te verdrijven of om de pestepidemieën uit te bannen.

In de Boshuizerbergen, een oud stuifzandgebied ten oosten van Venray, staan de volwassen jeneverbessen er nog prima bij. De eerste struik die we zien staat midden in het dennenbos. ``Ze zijn tweehuizig. Dit is een mannetje'', wijst Knol. ``Die bruine propjes zijn verdroogde bloeiwijzen. Maar als er niet binnen twee- of driehonderd meter een vrouwtjesstruik staat, die ook nog in de juiste windrichting staat, dan bloeit hij voor niks. Deze struik lijkt me nog redelijk vitaal. Als ze ouder worden zakken ze wat meer door, en dat wordt nog verstrekt door sneeuw of ijzel waardoor de takken soms zelfs breken.''

De vrouwelijke struiken dragen bessen. De bevruchting treedt pas een jaar na de bestuiving op. Dan ontstaan de lichtgroene bessen. Pas in het derde jaar zijn ze rijp en donkerblauw. Knol: ``Vogels eten die bessen en verspreiden de zaden. Op de zandverstuivingen en heiden waren het aantrekkelijke voedselbronnen, bijvoorbeeld voor korhoenders. Maar die zijn vrijwel verdwenen. Bovendien vinden vogels die graag bessen eten veel alternatieven in de omringende bossen en tuinen. Bovendien bevatten de bessen van oudere struiken meestal weinig kiemkrachtige zaden meer.''

Even later staan we in het open stuifzand. Hier groeit een fraai jeneverbesstruweel, Het lijkt wel een mediterraan park met cypressen. De jeneverbes hoort tot de cypressenfamilie. Knol: ``Dit is de laatste grote vitale populatie in Zuid-Nederland, beschermd volgens de Europese Habitatrichtlijn. Dit struweel heeft een heel mooie structuur, en je kunt hier ook veel verschillende groeivormen zien.'' Naast de bijna liggende struikvormen staan er hoog opgaande zuilvormige exemplaren van wel vijf tot acht meter hoog. ``Dat verschil in groeivorm is genetisch bepaald, maar er staan ook veel tussenvormen'', zegt Knol. ``Hoor je trouwens die boomleeuwerik? Die neemt hier weer toe.''

De jeneverbes verscheen na de laatste IJstijd zo'n 12.000 jaar geleden in ons land. Zijn Latijnse naam communis duidt op een algemene verspreiding. Maar in honderd jaar tijd is dit landschap radicaal veranderd. In de late Middeleeuwen lag hier een onafzienbare heide. Door overbegrazing en te vaak of te diep plaggen is de heide veranderd in een groot stuifzandgebied. Er zijn laagtes uitgestoven en hoge stuifduinen verrezen, die hier `forten' worden genoemd. Honderd jaar geleden is het stuivende zand vastgelegd door aanplant van grove dennen. Knol: ``Vooral op die plekken met overexploitatie verschenen de jeneverbessen. Om jeneverbesstruiken in stand te houden moet de beheerder in elk geval het landschap open houden door de omringende bomen weg te kappen. Anders loop je het risico van bosbrand of stormschade. In de schaduw bloeien ze ook minder. En de schapen vreten jonge jeneverbesplanten weg, àls die nog kiemen. Maar als je het terrein niet zou begrazen zouden de bessen in die dichte grasmat niet eens kunnen kiemen. Dat is een dilemma.''

Vochtgehalte

Intrigerend is dat de jeneverbessen in Schotland nog wèl kiemen, maar in Zuid-Engeland niet meer. Knol: ``Dat kan een kwestie van klimaat zijn of van bodem misschien, in Schotland is de bodem zuur en in Zuid-Engeland kalkrijk. Ik denk dat ook het vochtgehalte van de bodem een belangrijke rol speelt. Zo'n jonge kiemplant kan bij droog weer makkelijk verdrogen. In het stuifzand werd hij misschien snel ondergestoven en dan vormde hij langere wortels, waardoor hij meer overlevingskansen had. Zulke grote landschapsvormende processen ontbreken tegenwoordig.''

Volgens de vakliteratuur zouden jeneverbessen gedijen bij een afwisselend regime van overbegrazing – die tot een kale, minerale bodem leidt – gevolgd door onderbegrazing, waarbij jonge plantjes de kans krijgen op te groeien. De veebezetting kon nogal schommelen door veeziekten en economische terugslag. ``In de praktijk blijkt echter niet dat deze aanpak tot verjonging leidt'', zegt Knol. ``Veel natuurterreinen worden begraasd, maar vrijwel nergens staan jonge jeneverbessen. Dat was een tegenvaller in mijn onderzoek. Wèl verschijnen die kiemplanten soms op verlaten Franse boerenakkertjes of in een nieuw aangelegde wegberm – tot de volgende maaibeurt. En dankzij Defensie zie je ze soms op militaire oefenterreinen waar de grond is omgewoeld. Het moet iets te maken hebben met vochthuishouding en bodemdynamiek.''

Knol wil graag experimenten gaan uitvoeren om meer inzicht in het kiemingsproces te krijgen. ``Je kunt bijvoorbeeld Poolse bessen in Nederland laten kiemen en andersom. Haast is geboden. Bij ongewijzigd beleid stort de populatie jeneverbes over 20 jaar in, juist als de Ecologische Hoofdstructuur klaar is. Daar zit deze vergrijzende soort niet op te wachten. De versnippering van het landschap is niet zijn grootste probleem en van genetische verarming heeft hij geen last. Maar hij staat wèl op uitsterven. Dat wordt door beleidsmakers wel eens vergeten. Natuurlijk kun je Nederland heel aardig inrichten met hooguit twintig soorten planten en bomen. Dan heb je een leuk groen decor voor recreanten. Maar dat is dan wèl een leeg landschap, zonder boomleeuweriken.''