Langer werkloos

Terwijl werkgevers van werknemers af willen en de werkloosheid oploopt met 12.000 mensen per maand tot een half miljoen totaal, vraagt het kabinet de werknemers juist om meer uren te maken en later met pensioen te gaan. Waar moet die door het kabinet gewenste extra werktijd aan worden besteed? Ouderen die worden ontslagen, vinden geen werk meer, hoe hard ze ook worden aangespoord om door te solliciteren. Ze werken niet langer, maar zijn langer werkloos. De jeugdwerkloosheid is bovengemiddeld. In de aansporing om werkloosheid te bestrijden door langer te werken schuilt een tegenstrijdigheid waar het kabinet mee worstelt.

In de conceptnota van minister Brinkhorst ,,Kiezen voor groei'' wordt gewezen op het geringe aantal uren dat Nederlandse werknemers gemiddeld maken in een jaar. De Nederlandse werknemer werkt 1.340 uur per jaar (35 werkweken van 38 uur) tegenover een EU-gemiddelde van 1.615 en een VS-gemiddelde van 1.815 uur per werknemer. Er is een verband tussen de economische slapte en de geringe hoeveelheid werk die door Nederlanders wordt verzet. Werk kan juist werkgelegenheid opleveren. Maar door de vergrijzing neemt het aantal werknemers af. Dat moet door afschaffing van het prepensioen worden voorkomen.

Maar voor de hoognodige structurele hervormingen van de arbeidsmarkt is dit wel het allermoeilijkste moment. Anders gezegd: de maatregelen voor de lange termijn verergeren de noden van de korte termijn. Terwijl het Akkoord van Wassenaar in 1982 snel resultaat kon laten zien doordat juist korter werken nieuwe banen opleverde, gebeurt nu het tegenovergestelde. Oudere werknemers dreigen zonder vangnet op straat te komen of jongere werknemers worden ontslagen om oudere werknemers een aantal jaren van nodeloos solliciteren te besparen, het principe van last in first out.

Het is jammer dat het tweede paarse kabinet de vereiste ingrepen in de arbeidsmarkt niet heeft gedaan tijdens de hoogconjunctuur, toen de loon- en inflatiespiraal opliep door een tekort aan werknemers. Toen gingen onmisbare krachten met prepensioen en werd de WAO misbruikt. Nu is het veel moeilijker voor het kabinet om werknemers van de noodzaak van hervormingen te overtuigen. De mensen moeten hun verloren rechten kunnen inruilen voor een betere toekomst. Het is onrechtvaardig om een enthousiaste jongere werknemer die nog veel vruchtbare jaren voor zich heeft, te ontslaan om een oudere die geen zin meer heeft te laten zitten. Het prepensioen kan ook niet langer een uitweg bieden. Dan moet het voor werkgevers ook aantrekkelijker worden gemaakt om oudere werknemers aan te nemen. Nu worden oudere werknemers te duur, te weinig flexibel gevonden en kampen ze met pensioenbreuken.

Al deze problemen hebben de overheid ertoe gebracht om tegen het advies in de eigen ambtenaren wel met een prepensioen te laten afvloeien. Ingrepen in de WAO en het prepensioen zijn nodig, maar het gaat te ver om dan ook de WW-periode te verkorten, zoals het kabinet overweegt. Werkgevers vrezen dan voor een verstarde arbeidsmarkt, waarbij iedereen met alle juridische middelen aan zijn baantje blijft vastkleven. In tegenstelling tot een WAO'er en een gepensioneerde is een WW'er nog niet afgeschreven. Die zou in een verbeterde conjunctuur weer aan het werk moeten. Een beleidsplan werkt pas als het niet alleen vergezicht is, maar ook reageert op de praktijk van alledag.