Hoofddoek niet per se onschuldig

Het Europese Hof voor de Mensenrechten oordeelde gisteren dat een Turks verbod op het dragen van een hoofddoek op de universiteit acceptabel is, ondermeer omdat het bijdraagt aan het pluralisme van het onderwijs.

In het licht van het voortdurende debat over al dan niet toetreding van Turkije tot de Europese Unie is het niet vrij van ironie dat Turkije en niet Frankrijk nu de testcase over het dragen van de islamitische hoofddoek heeft opgeleverd. Het Europese Hof voor de mensenrechten in Straatsburg hield gisteren een verbod op het dragen van hoofddoeken aan een Turkse universiteit in stand. Het Europese hof vindt in bijzonder van belang dat dit verbod is gebaseerd op ,,de beginselen van secularisme en gelijkheid, die elkaar versterken en aanvullen''.

Het dragen van hoofddoeken op school is in Turkije van relatief recente datum, merkt het Europese hof op. Het kwam op in de jaren tachtig. De Turkse grondwet zegt echter al sinds 1937 dat de staat seculier is. De staat heeft een speciale verantwoordelijkheid voor het onderwijs. De Europese rechters hechten veel belang aan uitspraken van de hoogste Turkse rechters die herhaaldelijk hebben gewaarschuwd dat het dragen van hoofddoeken in onderwijsinstellingen ,,niet meer onschuldig is''. De Turkse studenten waren met andere woorden gewaarschuwd.

Er zijn in Europa wel eerder hoofddoeken verboden: uit hygiënische overwegingen in een Deense chocoladefabriek of vanwege de neutraliteit van de rechtbank in het geval van een vrouweljke griffier in Nederland. Naar aanleiding van een conflict over islamitische hoofddoeken in een school in Creil trok de Franse Raad van State in 1989 nog de grens bij ,,demonstratief'' vertoon van dergelijke insignia en liet de invulling over aan de betrokken scholen en de plaatselijke regels. Maar dit jaar verscherpte Frankrijk de norm tot een, overigens omstreden, algemeen wettelijk verbod van ,,opzichtig'' vertoon.

Het Europese hof heeft in 2001 al een klacht van een lerares in Zwitserland tegen een hoofddoekverbod afgewezen op grond van de neutraliteit van het openbaar onderwijs. Een verbod van hoofddoeken van leerlingen is echter een verdergaande ingreep in de vrijheid van godsdienst en weegt zwaarder. Vandaar dat het Europese hof nu de combinatie van secularisme en gelijkheid in stelling brengt. Gelijkheid is volgens het hof een ,,sleutelprincipe'' van het Europees verdrag voor de mensenrechten. Over secularisme is het iets zuiniger, maar deze doelstelling is in elk geval ,,consistent'' met de waarden van het verdrag.

Secularisme – in Frankrijk gebruikt men sinds 1905 het lastig te vertalen begrip laïcité – is een uitvloeisel van het beginsel van scheiding van kerk en staat. Vanzelfsprekend is dat niet, zoals blijkt uit een vergelijking van de Franse en Amerikaanse traditie door Christopher Caldwell van het blad The Weekly Standard. Frankrijk heeft niet zozeer de neutraliteit van de overheid in godsdienstaangelegenheden op het oog, zoals de VS, maar meer het neutraliseren van godsdiensten in het publieke leven. De regering-Bush is dan ook een moslimmeisje in Muskogee te hulp geschoten dat van school werd gestuurd wegens het dragen van een hoofddoek. Het verschil is des te opmerkelijker omdat beide staten de eenheid van het land benadrukken en niet veel moeten hebben van nationale minderheden.

Het Europese hof houdt in zijn uitspraak van gisteren nadrukkelijk rekening met de marge die het Europees verdrag voor de mensenrechten laat voor nationale eigenaardigheden van de aangesloten landen. Zeker in de omgang met religieuze symbolen is het beeld geschakeerd. De Duitse deelstaat Beieren heeft de hoofddoek voor leerkrachten verboden, maar maakt zich sterk voor de crucifix in schoollokalen. Groot-Brittannië kent een established church, met de koningin als ,,verdediger van het geloof'', maar heeft islamitische politievrouwen met een hoofddoek. Denemarken kent eveneens een staatskerk (de Lutherse) maar heeft zich verzet tegen de verwijzing naar God in de preambule van het nieuwe constitutionele verdrag voor Europa. Ondanks de wet op de laïcité zijn Pinksteren en Maria Hemelvaart nationale feestdagen in Frankrijk.

In Nederland is geen plaats voor een categorisch verbod van de hoofddoek, zei minister De Graaf (Bestuurlijke vernieuwing) onlangs in zijn nota over botsende grondrechten, in het voetspoor van de parlementaire enquêtecommissie-Blok over het integratiebeleid. De bewijslast ligt hier bij de voorstanders van een verbod, betoogde A.J. Nieuwenhuis van de Universiteit van Amsterdam eerder dit jaar in het Juristenblad.

Een belangrijk argument voor zo'n verbod is volgens het Europese hof: ,,de invloed van het dragen van dit symbool, dat wordt opgevat of ervaren als een dwingende godsdienstige plicht, op degenen die er voor kiezen het niet te dragen''. Dit geldt speciaal voor de Turkse context, zoals het hof het uitdrukt. Typerend daarvoor is de politieke betekenis die het symbool de laatste jaren heeft gekregen, doordat extremistische politieke bewegingen in Turkije proberen hun religieuze symbolen op te leggen aan de hele samenleving. Het verbod is volgens het hof dan ook een bijdrage aan ,,pluralisme op de universiteit''.

Deze argumentatie sluit aan bij een belangrijk kenmerk van de godsdienstvrijheid. Deze is niet alleen positief – de uitingsvrijheid van het individu – maar heeft ook een negatief aspect, aldus Aleidus Woltjer van de Universiteit Utrecht in het juridisch studentenblad Ars Aequi: het recht in het publieke domein verschoond te blijven van specifiek religieuze uitingen waaraan anderen zich niet kunnen onttrekken. Hij wijst erop dat een van de betekenissen van de hoofddoek ,,een (impliciet) oordeel over de onvolkomen seksuele moraal van mannen in het algemeen'' is.

Er is echter een complicatie, signaleert Woltjer: een hoofddoek is geen zelfstandig religieus symbool: dat wordt het pas in samenhang met het motief van de draagster. Dat is een hachelijke basis voor een rechterlijk oordeel. In de Turkse zaak kon het hof in Straatsburg deze klip omzeilen. Het liet uitdrukkelijk in het midden dat het altijd zo is dat islamitische hoofddoeken worden gedragen om een religieuze plicht te vervullen en beperkte zich er toe te noteren dat de Turkse klaagster zich beriep op een godsdienst of geloof. Daardoor stelde de klaagster zich zelf bloot aan de negatieve werking van de godsdienstvrijheid.

Maar wat als de draagster van een hoofddoek zich ,,gewoon'' beroept op haar individuele vrijheid van expressie? In Frankrijk is na het oordeel van de Raad van State in 1989 al eens opgemerkt dat het moeilijk is een hoofddoek te verbieden als een piercing wordt toegestaan.