Guantánamo Bay: Bush verliest, VS winnen

De Amerikaanse opperrechters die het beleid van de regering-Bush inzake van terrorisme verdachte gevangenen in Guantánamo Bay veroordeelden, willen het internationale imago van hun land redden, meent Michael Dorf.

In twee uitspraken van het Amerikaanse Hooggerechtshof zijn maandag de grenzeloze volmachten die president Bush zich in oorlogstijd had aangematigd, verworpen. In het geval van Yaser Hamdi verwierp het hof de claim van de regering dat militaire autoriteiten een Amerikaans staatsburger onbeperkt mogen vasthouden als ,,vijandelijk strijder'' zonder hem ooit in de gelegenheid te stellen om voor een neutrale instantie de reden voor zijn detentie aan te vechten. En in een door veertien buitenlanders aanhangig gemaakte zaak verwierp het hof het argument van de regering dat, omdat de Amerikaanse marinebasis in Guantánamo Bay formeel onder Cubaanse soevereiniteit valt, Amerikaanse rechters geen juridische claims in behandeling mogen nemen van personen die geen invloed hebben gehad op de plaats waar de Amerikaanse strijdkrachten hen gevangen houden.

De schandalige behandeling van Iraakse gevangenen in Abu Ghraib en de onthulling dat hooggeplaatste juristen in overheidsdienst in vertrouwelijke memo's foltering hebben goedgekeurd, worden in geen van beide zaken genoemd. Maar deze factoren hebben vast een rol gespeeld in de overwegingen van de rechters. De regering zei in feite: ,,Wat wij doen is wélgedaan, vertrouw daar maar op.'' Het hof vond kennelijk dat de regering dat vertrouwen niet verdiende.

In de zaak-Guantánamo Bay, die internationaal sterk de aandacht heeft getrokken, kan stilzwijgend nog een andere overweging hebben meegespeeld. De laatste jaren heeft een meerderheid van de rechters van het Hooggerechtshof blijk gegeven van een multilaterale kijk op het Amerikaanse recht. Die staat in scherpe tegenstelling tot het unilateralisme van de regering-Bush.

Zo heeft het Hooggerechtshof in 2002 in een zaak in Virginia bepaald dat de Amerikaanse grondwet verbiedt een geestelijk gehandicapte te executeren, aangezien dit een ,,wrede en ongebruikelijke straf'' is. Naast de overwegend binnenlandse overwegingen beriepen de rechters zich op een door de Europese Unie ingediend juridisch stuk, dat meldde dat de wereldgemeenschap deze praktijk in brede kring afkeurde. Evenzo heeft het hof zich vorig jaar, in een besluit waarin een Texaans verbod op sodomie tussen mensen van gelijk geslacht werd verworpen, beroepen op een Britse wet uit 1967 en op een uitspraak van het Europese Hof voor de Mensenrechten uit 1981.

Het is veelzeggend dat de zes rechters die in de zaken over Virginia en Texas de meerderheid vormden, dat ook deden in de zaak over Guantánamo Bay: de vier tegenstemmers in de zaak Bush versus Gore, plus de twee vrij gematigde personen die door Ronald Reagan zijn benoemd: Sandra Day O'Connor en Anthony Kennedy. Deze rechters bezoeken geregeld colloquia over vergelijkend constitutioneel recht en beschouwen zich als leden van een internationale gemeenschap van rechters aan hooggerechtshoven. Het kan hun niet zijn ontgaan dat, als zij het zouden opnemen voor onbeperkte detentie zonder proces voor buitenlanders, zij voortaan in het conferentiecircuit met de nek zouden worden aangekeken.

Ik zeg niet dat deze rechters hun uitspraak hebben gedaan, opdat op internationale party's het glas voor hen zou worden geheven. Als zij zich iets hebben aangetrokken van de wereldopinie zoals ik suggereer – was dat niet voor henzelf, maar voor hun land.

In nog geen vier jaar tijd hebben president Bush en zijn adviseurs de oude, door beide partijen onderschreven consensus dat de Verenigde Staten optreden via en met multilaterale instanties zoals de Verenigde Naties, grotendeels naast zich neergelegd. Het lijkt erop dat de rechters die in de zaak-Guantánamo Bay de meerderheid vormen, verontrust door deze ingrijpende koerswending, de rest van de wereld willen verzekeren dat president Bush niet voor alle Amerikanen spreekt, zelfs niet voor alle mensen die op hem hebben gestemd.

Uiteraard zullen neoconservatieve critici van het Hooggerechtshof in deze uitleg hun ergste vrees bewaarheid zien. Dit zijn rechters, zullen zij zeggen, die niet begrijpen dat zij geen wettelijke volmacht hebben om het Amerikaanse buitenlandse beleid te bepalen, een taak die in de grondwet is toebedeeld aan de president en – zullen zij misschien met tegenzin toegeven – het Congres.

Toch heeft het Hooggerechtshof al vaker rekening gehouden met mogelijke gevolgen voor het buitenlands beleid. In de beroemdste Amerikaanse zaak van de twintigste eeuw, Brown versus Board of Education, zijn de rechters waarschijnlijk beïnvloed door een rapport van de overheid waarin werd uiteengezet dat de rassenscheiding in de zuidelijke staten van de VS afbreuk deed aan de inspanningen van Amerika om de hoofden en harten van de inwoners van ontwikkelingslanden uit de greep van de Sovjet-Unie te houden. Door te stellen dat de Amerikaanse apartheid inbreuk maakte op het constitutionele gebod van ,,gelijke bescherming door de wet'', kwam het hof zowel op voor de gerechtigheid in eigen land als voor de Amerikaanse strategische belangen in het buitenland.

Zeker, de analogie is niet volledig, want in de zaak-Brown heeft het Hooggerechtshof juist rekening gehouden met de overwegingen van de regering inzake buitenlands beleid. In de zaak-Guantánamo Bay betoogde de regering-Bush daarentegen dat een uitspraak ten gunste van de gedetineerden de oorlogsinspanning zou ondermijnen.

Maar rechter John Paul Stevens, die de meerderheidsopvatting schreef, heeft zich daardoor niet laten afschrikken. Misschien vond Stevens, een gedecoreerde veteraan uit de Tweede Wereldoorlog, wel dat hij zeker zo goed als de burgers in Bush' ministerie van Justitie in staat is om te beoordelen of het vonnis gevolgen zou hebben voor het goed functioneren van de krijgsmacht. Of misschien reageerden de rechters alleen maar op het feit dat de regering voortdurend haar bevoegdheden te buiten gaat. Zeker, godsdienstfanaten die grote aantallen onschuldige Amerikaanse burgers proberen te doden, vragen om krachtige tegenmaatregelen. Maar de uitspraken van het Hooggerechtshof onderschrijven het grondbeginsel dat zelfs grote gevaren niet het soort universele vrijbrief rechtvaardigen waarop de regering-Bush aanspraak maakt telkens wanneer zij de woorden `oorlog' of `terrorisme' in de mond neemt.

Michael C. Dorf is hoogleraar recht aan de Columbia University in New York en auteur van `Constitutional law stories'. © Project Syndicate