De missie van de NAVO

Een paar jaar geleden dreigde de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie, de NAVO, voortijdig te worden afgedankt. Oude vijanden waren vrienden geworden en voor de nieuwe vijand, het terrorisme, was de NAVO te log en te bureaucratisch. Velen achtten het militaire bondgenootschap niet langer relevant, een dodelijke kwalificatie voor een organisatie die zichzelf altijd onmisbaar had gevonden. De NAVO ging op initiatief van de lidstaten aan de beademing. Een top in Praag, in het hart van het voormalige Warschaupact, bracht nieuw elan. De NAVO werd uitgebreid en vond nieuwe taken. Anno 2004 blijkt de alliantie over een opmerkelijke levenskracht te beschikken. De NAVO is als puinruimer en vredeshandhaver actief in een aantal (voormalige) oorlogsgebieden die het zonder haar steun waarschijnlijk niet hadden gered: Bosnië, Kosovo en Afghanistan. Op de afgelopen NAVO-top in Istanbul luidde de conclusie dat de operaties in Afghanistan en Irak moeten worden uitgebreid; wat dat laatste land betreft een omstreden ambitie.

De machtigste NAVO-lidstaat, Amerika, staat te popelen om de alliantie naar Irak te sturen. Daar is de NAVO nu nog slechts betrokken bij het verlenen van logistieke bijstand aan een Poolse divisie. Net als in Afghanistan moeten er, als het aan Washington ligt, meer militairen en materieel heen. Frankrijk ziet daar voorlopig niets in. President Chirac nam in Istanbul geen blad voor de mond. Het is niet de missie van de NAVO, zei hij, om actief te worden of te interveniëren in Irak. Toch is een grotere NAVO-rol in Irak wenselijk, al moet gewaakt worden voor imperial overstretch. De organisatie beschikt over de mensen, de middelen en de kennis die nodig zijn voor het uitvoeren van vredesoperaties. De wederopbouw van Irak is gebaat bij internationalisering, hoofdkenmerk van het bondgenootschap. Met inachtneming van elkaars standpunten moet een vergelijk over een bescheiden Iraakse operatie toch mogelijk zijn.

Politieke wil komt vaak met de tijd. NAVO-chef De Hoop Scheffer zal het momentum moeten vasthouden dat de top in Istanbul heeft geschapen. Daar werd eindelijk formeel besloten dat de 6.400 man tellende missie in Afghanistan zal worden uitgebreid met een aantal zogenoemde provinciale wederopbouwteams. Feitelijk betekent dit dat er minimaal 2.200 en maximaal 3.500 soldaten extra naar Afghanistan vertrekken. Onder hen – als de Tweede Kamer akkoord gaat – 120 tot 150 Nederlandse militairen. De besluitvorming hierover bij de NAVO-lidstaten heeft veel te lang geduurd. De orde en de veiligheid in het labiele Afghanistan zijn gebaat bij een sterke NAVO-vredesmacht, die de terreur en de bendeleiders kan weerstaan. De `bedeltocht' langs de lidstaten om mensen en materieel was een beschamende vertoning.

Haar missies laten zien dat de NAVO leeft. Maar de moeizame discussie over bijstand aan Afghanistan en Irak toont aan dat de NAVO-leden het onderling te vaak oneens zijn, zuinig reageren en soms simpelweg de militaire middelen niet hebben om adequaat in te spelen op actuele conflictsituaties. De beademing van de NAVO moet dus worden voortgezet in de vorm van modernisering van de legers, investeren in politieke wil en het nakomen van verplichtingen. De aanduiding `bondgenootschap' dient letterlijk te worden genomen.