Wie is bang voor rood, oranje en groen

Staat het stoplicht nu weer op rood voor het beschimpen van Dick Advocaat? Het knipperde al veelbetekenend oranje bij aanvang van het EK en sprong op groen na Nederland-Tsjechië. De bondscoach, die gisteren vocht tegen de tranen, heeft het hele wisselbad van het moderne demoniseren meegemaakt.

Hij is niet de enige. In de moderne, hittezoekende media worden personen en groepen steeds ongenadiger over de hekel gehaald als hinderlijke, achterlijke, of gewoon vervelende types als verliezers, in elk geval.

Dick Advocaats lot is een voorbeeld van een stoplicht-op-oranje, de kleur van koningshuis en voetbal. Zulk knipperlicht-demoniseren is lastig: het kan immers nog beide kanten opgaan. Advocaat, gevormd in de culturele canon van de Haagse volksbuurt Transvaal (`Zo ben ik niet opgevoed') kan erover meepraten. Na het echec tegen Tsjechië werd hij bepekt en bevederd in heel het dorp rondgedragen op een manier die waarschijnlijk alleen cabaretiers die tegen een stootje kunnen, nog zullen uitleggen als een vorm van humor. Na de winst tegen de Letten en Zweden sprong het licht op rood en was `de kleine generaal' opeens weer het gebraden haantje. Winnaar neemt alles, verliezer belandt op het schavot. `I'm a loser, baby, so why don't you kill me?', zong slacker-held Beck al vrolijk in 1996. De zaak-Advocaat bevestigt overigens het gelijk van de burger J.P. Balkenende in zijn kritiek op wat in Nederland voor satire doorgaat: hij kan het weten, want premier Balkenende kent de werking van het knipperlicht-demoniseren tenslotte ook goed.

Voor wie staat het stoplicht nog op groen? Het is de kleur van de islam, dus laten we die religie maar weer als voorbeeld nemen. Hier draait de mallemolen van wederzijdse publieke verkettering nog volop. We weten inmiddels allemaal welke vooroordelen er over het Westen leven in de islamitische wereld, en hoezeer wij daar worden gedemoniseerd dus waarom zouden wij ons dan inhouden over hún geloof en cultuur. Zij zijn óók verliezers, tenslotte. Hoe komt het anders dat wij in het Westen vooroplopen in de mars der geschiedenis, en zij achteraan hinkelen? Een originele, degelijke en nauwkeurige kijk op zulke vragen is te vinden (zie Jared Diamonds Guns, Germs and Steel, of The Human Web van de McNeills, die de nadruk bij de ontwikkeling van beschavingen ieder op hun eigen manier meer leggen op objectieve en historische factoren als geografie, landbouw en handelsnetwerken dan op de ideologische kloven tussen culturen). Maar die legt het af tegen superioriteitswanen die rechtstreeks zijn herrezen uit de negentiende eeuw: zulke beproefde dikke `ideeën' zitten weer op de voorste rij, met dank aan Osama bin Laden.

Het resultaat is helder: uit onderzoek van de Volkskrant bleek zaterdag dat Nederlanders nauwelijks contact hebben met moslims, daar ook geen behoefte aan hebben, een latente angst voor hen voelen, en dat ruim een derde negatief over deze bevolkingsgroep denkt. Geen wonder, in het huidige klimaat van angst en dreiging, waarin paniek om opgeduikelde homofobe handboekjes voor moslims, tot het voorstel uit VVD-kring om moslims ideologisch te screenen, allemaal worden gelegitimeerd door de bloedbaden van 11september en Madrid. Wat moeten we dan? Toch vooral: deelname van migranten aan de samenleving veel energieker en inventiever bevorderen, minder gewichtig zeuren over cultuur en traditie, en harder werken aan stadsvernieuwing, scholing en arbeidsmarkt. Kortom: koersen op winst, en niet telkens het verlies blijven benoemen.

Tot slot het rode stoplicht. De kleur van ketchup. Hierover kunnen we kort zijn: demoniseren is niet toegestaan. Actievoerders die bijvoorbeeld de jurk van minister Verdonk besmeurden met het goedje, zitten veertien dagen vast. Veteranen van de jaren zestig vinden dat natuurlijk overdreven, want een fles ketchup is nog geen staatsgevaarlijk wapen. Dat is waar, maar toch is er veel voor dit taboe te zeggen: `ludieke' acties als taarten in iemands gezicht drukken blijven een fysieke aanranding. Ze werden gezien als slapstick-achtige vervanging van echt geweld. Maar sinds Fortuyn is de omgekeerde weg afgelegd: na de taart kwamen de kogels. We leven niet meer in het onschuldige Nederland van de uitgedeelde krenten. Het is verlies, maar het is niet anders.

Tot zover de voorbeelden van moderne verkettering en de nek-aan-nekrace tussen winnaars en verliezers. Wat moeten we nu? Laten we te rade gaan bij een andere publieke figuur die alle stadia heeft doorstaan, Bill Clinton een man die altijd al de stoplichten op zijn pad wist te ontregelen.

Sinds zijn boek My Life is verschenen, knippert het licht voor Clinton weer flink op oranje. Sommige critici en columnisten hebben de herinneringen van `Bill' weggezet als het geklets van een verwend kind en, nog erger, van een man die `niet kan schrijven'. Helaas gebeurde dat ook met de nauwelijks verholen verveling van mensen die te blasé zijn om door te lezen. Want het goede nieuws is: Clintons memoires zijn, zoals Juurd Eijsvoogel in deze krant schreef, ondanks hun omvang en wijdlopigheid wel degelijk interessant voor wie een blik wil hebben achter de politieke schermen. Misplaatst is ook het apolitieke, vermoeide gezucht over de Lewinsky-zaak, waar Clinton overigens, gelukkig, weinig intieme details van geeft (zoek `sigaar' in de index).

Feit is dat Clinton, zeker achteraf bezien, volkomen gelijk had: hij wás het doelwit van een Republikeins complot om met pervertering van het politieke systeem een beschadigde maar nog steeds populaire president af te zetten. Dat gelijk bleek trouwens op een andere manier in 2000, toen het Hooggerechtshof de verkiezingszege gunde aan George Bush, volgens Clinton een schaamteloos partijdige uitspraak. Ik vrees dat hij gelijk heeft. Maar ja, het gáát toch ook om de macht?, schmierde één recensent over Clintons geklaag. Ja, het cynisme slaat snel toe tegenwoordig. Maar niet alles is personality, er is ook nog zoiets als democratische politiek voorbij heiligen en demonen.

Bill Clinton maakt dat duidelijk, met al zijn onverbloemde zwaktes, fouten en egocentrisme. En in die politiek moet het niet gaan om de koortsige tredmolen van heiliging en verkettering. Toch eerder om een publieke cultuur die kennis van zaken en inhoudelijke belangstelling belangrijker vindt dan voortdurend persoonlijkheden of groepen onbehouwen de maat nemen.

    • Sjoerd de Jong