Marktverdeling in bouw

De motieven voor het maken van prijsafspraken in de bouw zijn sinds de jaren '50 regelmatig in kaart gebracht. Met name de wens tot het verdelen van de markt, het voorkomen van prijsbederf, de angst voor miscalculaties en de behoefte aan vergoeding van tevergeefs gemaakte offertekosten worden in dit verband steeds genoemd. Er zijn legio oplossingen aangedragen om deze motieven weg te nemen. Naast het treffen van repressieve maatregelen wordt daarbij vooral gedacht aan maatregelen die het aanbestedingsproces verbeteren. Slimmer aanbesteden maakt het maken van prijsafspraken minder aantrekkelijk, zo is de gedachte. Het beoordelen van offertes op meer aspecten dan de prijs alleen, is zo'n maatregel. Ook de Regieraad Bouw doet deze suggestie in haar rapport `Van Raad naar Daad'. Joris Pinkse stelt dat de Regieraad daarmee geen definitieve oplossing geeft (NRC Handelsblad, 24 juni).

Laten we allereerst vaststellen dat het rapport van de Regieraad niet het eindpunt maar het vertrekpunt vormt van een brede discussie die op termijn moet leiden tot verbetering van aanbestedingsprocessen. In de tweede plaats wordt uit de bijdrage van Pinkse niet duidelijk hoe zijn voorstel het aanpassen van het veilingontwerp het maken van prijsafspraken voorkomt. Wat ons echter werkelijk zorgen zou moeten baren, is dat tot op heden nog niemand een oplossing heeft gevonden voor het wegnemen van het belangrijkste motief voor het maken van prijsafspraken in de bouw. Elk bouwproject is een uniek product, bestemd voor een unieke klant die een unieke vraag in de markt zet. Dat leidt ertoe dat voorraadvorming in de bouw niet mogelijk is. Elke bouwer leeft derhalve steeds weer met de angst dat zijn orderportefeuille leeg raakt. Die angst is het grootst in de markt van infrastructurele projecten. `Werk bij werk houden' door het verdelen van opdrachten lijkt voor bouwers de enige weg die dan nog openligt. En dat zal niet anders worden door de vele `slimme' voorstellen die sinds de uitzending van Zembla op 9 november 2001 zijn gelanceerd. Die voorstellen nemen de angst voor discontinuïteit immers niet weg.

Het hierboven geschetste probleem is geen typisch Nederlands probleem. Het is dan ook wenselijk dat de Regieraad erop aanstuurt het probleem daar neer te leggen waar het mijns inziens hoort te liggen: in Brussel.