Liever de lucht in

Een kaartje voor een attractiepark met een ritje in een achtbaan levert voor velen niet genoeg spanning op. Een parachutesprong of zweefvlucht vaak wel.

`Het was totale vrijheid', sprak Felix Baumgarter, nadat hij in een vrije val 35 kilometer over Het Kanaal was gevlogen. De Oostenrijker sprong op negen kilometer hoogte bij Dover uit een vliegtuig, bereikte snelheden van 360 kilometer per uur en legde zo 35 kilometer af. Zijn vrije val stuurde hij met kunststof vleugeltjes. Eenmaal het Kanaal over opende hij zijn parachute en landde bij Calais op de geplande plek. Met dit sensationele voorbeeld van luchtfunsport lijkt de mens weer iets dichterbij het vliegideaal van Icarus gekomen.

Volgens drs. E. Wijnands, interim-directeur van de KNVvL (Koninklijke Nederlandse Vereniging voor Luchtvaart) is de creativiteit van mensen enorm: ,,Je kunt ontzettend veel leuke dingen in de lucht doen. Je hebt nu bijvoorbeeld kleine eenpersoons ballonnen, waarbij je op een plankje zit, met de brander in een simpel frame achter je. Kitesurfen is voortgekomen uit vliegeren. Als je een vlieger iets groter maakt, kun je al over het strand vliegen. Later is dat gecombineerd met kleine surfplanken, waardoor je loskomt van water. Er wordt door bergbeklimmers en -sporters mee geƫxperimenteerd in combinatie met ski's om sneller boven of beneden te komen. Er zijn weer andere leuke dingen te bedenken als je het lichaamsgewicht verlaagt met heliumpakken.''

Dat ontwikkelingen snel gaan is vooral merkbaar bij parachutespringen. Wijnands: ,,Je spreekt tegenwoordig eerder van skydiven. Het grootste deel gaat in de vrije val. Tot de jaren zestig waren er ronde koepelschermen, toen kwamen er gaten in voor een betere besturing en in de jaren zeventig kwamen de `matrassen', die vervolgens geperfectioneerd werden.''

De oudste wedstrijdvorm is precisiespringen. Bij formatiespringen (record 357 mensen) is het probleem niet meer elkaar vinden, maar op tijd uiteengaan wegens de ruimte die schermen innemen. Bij speeddiven ga je zo snel mogelijk naar beneden door met je hoofd naar beneden te duiken, waarbij snelheden van 450 kilometer worden bereikt. Met wingsuits, pakken met vleugeltjes onder de armen, ga je juist minder steil naar beneden en worden afstanden als tussen Texel en Den Helder overbrugd. Er worden zelfs al slalomwedstrijden vlak boven de grond gehouden met parachutes waarmee je korte tijd horizontaal kunt vliegen. Hoewel de benodigde hulpmiddelen van een betere kwaliteit zijn, vallen er meer doden en gewonden, zo blijkt uit krantenberichten. Dit komt vooral doordat extra mogelijkheden leiden tot meer risico's. Alleen al in het eerste halfjaar van 2002 vielen 3 doden en 25 gewonden (meestal ervaren springers die sneller en harder landen met kleine schermen).

Op schermspringen zijn allerlei varianten ontstaan. Zo kun je met een tweelaags valscherm met luchtkamers vanaf een berg of heuvel springen of je de lucht in laten trekken met een lier. Sturen is mogelijk door aan lijnen te trekken, waardoor het schermuiteinde naar beneden wordt getrokken (in het Frans: parapente, in het Engels paragliding). Dit kan ook met een deltavleugel voorzien van aluminium buizen, waaronder men in een frame ligt; je stuurt door verplaatsing van het zwaartepunt van je lichaam (naar voor: sneller, naar achter: langzamer). Een andere variant is parasailing: met een scherm, verbonden door een lijn met boot of auto de lucht in gaan.

Beperking in Nederland is het kleine grondoppervlak en de hoge bevolkingsdichtheid, waardoor de lucht `al snel vol is'. Zo is zweefvliegen langs het strand, aantrekkelijk wegens gunstige stijgwinden, nu alleen nog 's winters mogelijk in Zeeland. Wijnands: ,,In ons land houden ongeveer 30.000 mensen zich bezig met luchtsporten. Het meest beoefend worden motorvliegen, zweefvliegen (55.000 uur in 2003) en parachutespringen (80.000 sprongen). Het aantal beoefenaars blijft ongeveer gelijk, de intensiteit verschilt jaarlijks met de weersomstandigheden en bijvoorbeeld door veeziekten als mkz en vogelpest, waardoor er beperkingen zijn wegens besmettingsrisico's.''

Een positieve ontwikkeling is dat vooral motorisch vliegen door technische verbeteringen veel minder lawaai maakt dan vroeger, mede door de komst van ultra- en microlights: vliegtuigjes met een lichte bezinemotor en simpele constructie, die maximaal 450 kilo wegen. Sommigen hebben cockpits, bij Trikes zit je in een stoeltje onder een driehoekige vleugel. Wijnands: ,,Er waren maar drie plekken waar met ze gevlogen mocht worden. Gelukkig is er sinds twee jaar een trend tot deregulering en nu mag vanaf zo'n twaalf vliegvelden met grasbanen worden gevlogen. Daardoor verwachten we een toename in de beoefening.''

Naast de georganiseerde beoefening van luchtfunsporten is er vooral bij basejumpen sprake van illegaliteit (met een scherm springen vanaf een gebouw, toren, bouwkraan, reuzenrad, zendmast of het Jezusbeeld bij Rio de Janeiro). Zo werd in 1999 iemand aangehouden die van de Utrechtse Dom sprong. Het wordt slechts door enkelen beoefend, net als het tot voor kort verboden snorvliegen, schermvliegen met een kleine motor en propeller op je rug, dat door de deregulering wellicht meer beoefend gaat worden. Omstreden is ook kitesurfen, omdat het relatief grote zeil vastzit aan draden van enkele tientallen meters lang, waardoor veel ruimte nodig is, wat lastig kan zijn in drukbezochte recreatiegebieden. Een nieuwe trend is parabouncen, waarbij je een luchtwandeling maakt na in een harnas enkele tientallen meters te zijn opgelaten onder een kleine heliumballon die gezekerd is met scheerlijnen. Parabouncen is vooral bedoeld als attractie tijdens evenementen; het wordt in de VS ook al in grote hallen beoefend.