Iraakse vrijheid, met belofte en gevaar

Na de machtsoverdracht van gisteren zijn de Verenigde Staten nog niet verlost van hun last in Mesopotamië. Maar de Irakezen kunnen eindelijk een glimp opvangen van een leven zonder dicatuur, meent Fouad Ajami.

Geen Iraakse dichter zal een loflied schrijven op de soevereiniteitsoverdracht door het voorlopige gezag van de coalitie aan de interim-regering van premier Iyad Allawi. Geen jihadstrijder zal in de vertoning in Bagdad reden zien om de campagne van heilige terreur tegen de Iraakse steden te staken. De `gewone Arabier' zal volhouden dat dit een Iraakse regering van quislings is, stromannen van de Pax Americana.

Maar de korte, sobere afscheidsceremonie waarmee de Amerikaanse regent Paul Bremer van het vliegveld van Bagdad vertrok, had wel een heel eigen waardigheid en uitstraling. De Amerikanen zijn nooit van plan geweest om te heersen over de Irakezen. Dit alles was geen schijnvertoning. Wij willen deze Iraakse expeditie graag goed afronden, en de overdracht van het gezag vormt het begin van een nieuwe relatie tussen de Irakezen en hun Amerikaanse bevrijders.

Zeker, Irak heeft geen `normale' soevereiniteit gekregen. Een land met 160.000 buitenlandse militairen binnen zijn grenzen kan niet volkomen vrij heten. Uiteraard zal de Amerikaanse ambassadeur John Negroponte geen doorsnee diplomatieke missie vervullen. Hij zal, gesteund door een formidabele strijdmacht, een reusachtig wederopbouwpakket uitvoeren.

Maar vrijheid kan geen fetisj zijn. Irak heeft zijn behoeften, en die zijn gigantisch. Op Iraks vrijheid rust de doem van een woedende, meedogenloze opstand, die zijn kracht put uit het oude despotisme en uit fanatieke jihadstrijders uit buurlanden. Wij mogen ons over deze opstand geen illusies maken: zijn oorlog tegen Irak zal niet afzwakken. En de jihadstrijders zijn gebeten op de 'afvalligen' in de islamitische wereld die de kant van de ongelovigen kiezen.

De Jordaanse jihadstrijder Abu Musab al-Zarqawi, die dood en verderf zaait in de straten van Irak, heeft deze overdracht zien aankomen, en gewaarschuwd dat de oorlog zal worden voortgezet. ,,Wij voeren onze jihad niet om de westerse tiran te vervangen door een Arabische. Wij strijden voor de oppermacht van Gods woord, en iedereen die ons in de weg staat is onze vijand, een doelwit voor onze zwaarden.'' Interim-premier Allawi is een belangrijk doelwit van de fanatici rond Zarqawi. ,,Wij houden voor u een bijtend vergif en een scherp zwaard gereed, een volle beker des doods'', waarschuwde Zarqawi de nieuwe leider van Irak in een vorige week vrijgegeven opname. De lijnen zijn getrokken: de Iraakse staat staat tegenover een ontheemde, die op zoek naar een nieuw slagveld is beland in Irak.

Zarqawi en zijn strijders weten dat een eigen Iraakse regering zich kan beroepen op huis en haard, en op het recht van Irak op een nieuw politiek bestaan. De Amerikanen kunnen de jongemannen die door de chaos van de Arabische landen worden uitgebraakt, en die misschien zijn aangespoord om in Irak te gaan doden en te worden gedood, niet allemaal opsporen. Dat is een taak voor de Irakezen. Zíj moeten hun land op de terreurzaaiers heroveren. Het is één ding als Fallujah zich opwerpt als het bastion van de islam tegen de ongelovigen, het is een heel andere zaak als het de wapens opneemt tegen de eigen regering, ook al wordt die door een groot buitenlands leger beschermd. Iyad Allawi heeft na de soevereiniteitsoverdracht de opstandelingen ,,vijanden van de islam'' genoemd.

George W. Bush zit in die strijd om en voor de islam in een lastig parket. Ook wij hebben de buren van Irak gewaarschuwd om hun gestook – en hun lastpakken – uit Irak weg te houden, maar het klonk veel overtuigender toen Allawi zijn buren zei dat de Irakezen niet zouden vergeten wie vóór hen was en wie tegen hen.

In zekere zin beschouwen de Irakezen hun recente geschiedenis als een overgang van het bewind van de tiran naar dat van de vreemdeling. Die heeft hen ontheven van politieke verantwoordelijkheid en moeite.

De afhankelijkheid was gemakkelijk, net zo gemakkelijk als het was om Amerika verantwoordelijk te stellen voor alles wat er gebeurde. Bij wijze van erkenning voor de (beperkte) soevereiniteit die hun is toegevallen, zullen de Irakezen weer in zekere mate hun verantwoordelijkheid moeten nemen.

De shi'itische meerderheid in Irak staat voor een historische opgave. De shi'ieten kunnen Irak maken of breken. Hun geschiedenis is één smartelijke afwisseling tussen vrees en berusting, en vol uitzichtloze opstanden. Uit die historische cyclus zijn zij nu bevrijd: een van hen, premier Allawi – die een bekwaam politicus lijkt – bekleedt nu het hoogste politieke ambt. En een vereerde figuur uit hun gelederen, groot-ayatollah Ali Al-Sistani, oefent op subtiele wijze invloed uit op het Iraakse politieke leven.

De nieuwe vrijheid van de shi'ieten is een geschenk van Amerika. De shi'ieten hoeven niet de Iraakse stromannen te zijn van Amerika, en zijn dat ook niet. Maar het welslagen van Amerika in Irak – de historische rechtvaardiging van deze oorlog – hangt tot op zekere hoogte af van het vermogen van het shi'itische centrum om zich staande te houden, en van de bereidheid van de secularistische shi'ieten, die de scheiding van godsdienst en politiek voorstaan, om te kijken naar de shi'itische republiek in Iran, en te erkennen dat religieus enthousiasme – en religieuze pretenties – geen behoorlijk functionerende samenleving heeft kunnen creëren.

De afgelopen kwart eeuw hebben de autoritaire regimes in de Arabische wereld de shi'itische boeman kunnen aanwijzen als de boze geest die op het Golfgebied zou neerdalen als aan hun macht werd getornd en als de Pax Americana niet te hulp schoot. In Irak krijgt het shi'itisme de kans voor een nieuwe geschiedenis.

,,Onder Saddam leefden wij in een grote gevangenis. Nu in een soort wildernis. Geef mij maar de wildernis'', zei een ontwikkelde Iraakse vrouw, dr. Line Ziyad, een paar maanden geleden. Haar land werd geteisterd door autobommen en terreurgroepen: het was van de tirannie in de anarchie beland.

Bewakers van de deugd wilden dit van oudsher seculiere rijk nieuwe normen opleggen van `islamitische' gebruiken en kleding en rituelen. Desondanks waren en zijn vele Irakezen blij met deze nieuwe kans op een normaal bestaan.

Als het zo is dat de grote strijdmacht die Bush en Blair naar massavernietigingswapens hebben laten zoeken, ten slotte een humanitaire oorlog heeft gevoerd die Irak heeft verlost van een lange nachtmerrie van tirannie, dan hebben vooral de Irakezen daarvan geprofiteerd. Zij mogen blij zijn. Had de geschiedenis een `gewone' loop genomen, dan hadden de Irakezen zelf hun despoot verdreven, zelf de monumenten en beelden van de dictator omgelegd, en waren zij zelf in opstand gekomen tegen de tirannie.

Zo is het niet gegaan, en hun woede van het afgelopen jaar was zonder twijfel ten dele die van een trots en prikkelbaar volk dat dit onwelgevallige feit niet onder ogen wilde zien.

Amerika zal niet lang in Irak blijven. Er is geen geheim plan om de Irakezen te onderwerpen. Er zijn geen plannen voor grote Amerikaanse luchtmachtbases in dit land. Van 1921 tot 1932 hebben de Irakezen onder Brits gezag gestaan, met daarna nog een kwart eeuw verkapte Britse invloed achter een façade van onafhankelijkheid. Onze huidige wereld is anders, en dit nieuwe `imperium' is heus een imperium tegen wil en dank van een westerse mogendheid.

Wat er van Amerika's waarheid op Iraaks grondgebied zal beklijven, is een volstrekt open vraag. Maar wij moeten de leiders die deze oorlog hebben gevoerd – de `architecten' ervan, die door alle onvoorziene moeilijkheden zozeer in het defensief zijn gedrongen – de gedachte vergeven dat zij in die verrassingsceremonie van vijf minuten gisterochtend het gelijk aan hun kant kregen. Een `nieuw' Irak hebben zij niet gecreëerd, en zij hebben ook niets gedaan aan de kwalijke trekken van de Arabische wereld die aan deze oorlog ten grondslag lagen. Amerika is zijn last in Mesopotamië nog niet kwijt. Dagelijks lijden de VS hartverscheurende verliezen, en Amerikaanse soldaten daar blijven gevaar lopen.

Maar nu zitten wij daar onder nieuwe voorwaarden – een mogendheid die 48 uur eerder dan gepland de macht uit handen heeft gegeven, en een Iraakse bevolking die een glimpje kan opvangen van de mogelijkheid van een leven zonder inheemse dictatuur of buitenlands ingrijpen. Er heerst nervositeit in Irak, de nervositeit van een volk dat spoedig op de proef zal worden gesteld door de belofte – en de gevaren – van de vrijheid.

Fouad Ajami, hoogleraar aan Johns Hopkins University in Baltimore (VS), is auteur van `Dream palace of the Arabs' (1999).