Guantánamo: `zege voor het recht'

De uitspraak van het Amerikaanse Hooggerechtshof dat de juridische rechten van de gevangenen op Guantánamo Bay op Cuba deels erkent, is ,,een belangrijke overwinning voor het recht, en de rechten van iedere gevangene in Amerikaanse handen''. Dat zegt Stephen Watt, een van de advocaten die optreedt voor Guantánamo-gevangenen.

Watt, van het Centre for Constitutional Rights, dat namens vier Guantánamo-gevangenen, Shaqif Rasul, Asif Iqbal, David Hicks en Mamdouh Habib, een rechtszaak tegen de regering-Bush aanspande, zegt ,,opgetogen'' te zijn over het oordeel van het Supreme Court, het Hooggerechtshof. De uitspraak maakt het voor iedere gevangene op Guantánamo mogelijk ,,de wettelijkheid van zijn detentie voor een Amerikaanse rechtbank te toetsen'', aldus Watt.

Het Hof bepaalde gisteren dat de `vijandelijke strijders' die op Guantánamo gevangen zitten, recht hebben op een proces voor een Amerikaanse rechter. Dat is een belangrijke tegenslag voor het antiterrorisme-beleid van de regering-Bush. De buitenlanders kunnen niet voor onbepaalde tijd gevangen worden gehouden zonder proces of toegang tot een advocaat.

Hoewel het negenkoppige hoogste Hof sterk verdeeld was over wat er wel moest gebeuren met deze verdachten, meende een duidelijke meerderheid dat de rechtsstaat niet kan worden opgeschort voor de 595 strijders, van wie de meesten zijn opgepakt na de aanslagen van 11 september 2001. Op enkelen na worden zij ervan verdacht te behoren tot de terreurbeweging Al-Qaeda of de Talibaan en zitten zij vast zonder in staat van beschuldiging te zijn gesteld.

In gelijktijdige uitspraken stelde het Hof ook vast dat Amerikanen, die worden verdacht van deelname of hulp aan terrorisme, er recht op hebben hun detentie aan te vechten. Of dat voor een gewone rechter moet of voor een militaire commissie, liet het Hof in het midden. Het ging om de zaken van Yasser Hamdi en José Padilla.

Hoewel de rechters in hun schriftelijke opinies niets zeiden over de recent aan het licht gekomen gevallen van marteling van Iraakse gevangenen, viel uit de woorden van in ieder geval vier van de negen af te leiden dat de daar gebruikte methoden niet door de beugel kunnen.

De regering heeft sinds de aanslagen van 11 september 2001 en de oorlog in Afghanistan steeds gesteld dat vijandige strijders geen recht hadden op een gewoon proces omdat zij een gevaar zijn voor de democratische rechtsstaat. Die stelling werd verworpen door het Hof. Ook de stelling van de regering dat de basis Guantánamo Bay geen Amerikaans grondgebied is, werd niet overgenomen. Amerika heeft het er voor het zeggen, aldus het Hof. En dus moet de rechtsstaat er worden gerespecteerd.