De macht in Irak

De Irakezen hebben hun land terug, maar baas in eigen huis zijn ze nog niet. De versnelde overdracht van de soevereiniteit door de Amerikaanse bezettingsmacht aan de Iraakse interim-regering verandert de feitelijke situatie nauwelijks. Washington houdt het ook na gisteren voor het zeggen in Irak. De militaire aanwezigheid wordt op peil gehouden en Amerikaanse decreten blijven tot nader order van kracht. Wetgevende macht heeft de voorlopige regering niet. Het woord `machtsoverdracht' moet dus niet al te letterlijk worden genomen. Op de nieuwe `machtshebbers' valt ook wel wat aan te merken. Het zijn veelal ballingen die een achterban in Irak ontberen, met premier Iyad Allawi, een seculiere shi'itische zakenman die jaren geleden naar het buitenland vluchtte, als meest uitgesproken voorbeeld. Dit alles laat onverlet dat de gebeurtenis door haar symboliek wel degelijk betekenis heeft. De ceremonie was sober en Paul Bremer, de civiele bestuurder voor Irak, vertrok overhaast. En toch markeert de soevereiniteitsoverdracht een belangrijke stap in een proces dat politiek van aard is en dat loopt tot aan de verkiezingen begin 2005. De oorlog was omstreden, de bezetting werd gedomineerd door chaos en onveiligheid – maar de dictator zit vast en wordt berecht en de Irakezen hebben op papier het hoogste staatsgezag terug. Die feiten zijn ruim veertien maanden na de val van Bagdad niet te negeren.

De interim-regering heeft eigenlijk maar één prioriteit. Ze moet in samenwerking met de 160.000 man sterke internationale troepenmacht – onder wie 138.000 Amerikaanse soldaten – de orde en de veiligheid zo snel mogelijk zien te herstellen. Alleen rust kan de politieke positie van Allawi en de zijnen versterken. Blijft het bloed vloeien, dan heeft niet alleen de premier van Irak een probleem, maar ook de president van de Verenigde Staten. Die wil op 2 november herkozen worden en heeft dringend behoefte aan goed nieuws uit Bagdad. George W. Bush nam gisteren op de NAVO-top in Istanbul een voorschot. Hij noemde maandag 28 juni 2004 ,,een dag van grote hoop''. Het gaat er nu om de hoop en de verwachtingen waar te maken. Tegenvaller is dat bondgenootschappelijke steun van belangrijke landen als Frankrijk en Duitsland vooralsnog uitblijft. De meningsverschillen over Irak zijn niet verdwenen, al beweert Bush nog zo hard het tegendeel. Het valt te betreuren dat zelfs een geringe NAVO-taak in Irak als hulp bieden bij de opleiding van het Iraakse leger op beperkingen stuit die de Franse president, Jacques Chirac, eraan wil stellen. Dit was toch het moment geweest voor een gebaar van goede wil. Maar zo werkt het niet in de internationale politiek. De essentie is en blijft dat de Amerikanen met een kleine coalitiemacht, waartoe ook de Nederlandse troepen zich kunnen rekenen, de komende maanden de kastanjes uit het vuur moeten halen. Washington heeft dit over zichzelf afgeroepen, dat wel, maar aanzienlijk meer internationale hulp was welkom geweest. Het is uiteindelijk ook een Frans en een Duits belang dat de orde wordt hersteld en de terreur wordt teruggedrongen. Zonder de Amerikanen gaat dat niet – in die zin is het aantal alternatieven beperkt.

Volkenrechtelijk is er veel aan te merken op de huidige staat van soevereiniteit. Rustig is het in Irak nog lang niet. Kansen zijn er wel. De interim-regering kan niet alleen rekenen op steun van de Amerikanen, maar ook op die van de Verenigde Naties. Het welslagen van het politieke proces in dit verscheurde land is daarmee tevens een internationale verantwoordelijkheid geworden.