De grillige loop van Teflon en Tefal

Teflon, een product van DuPont, vooral bekend door pannen met een antiaanbaklaag, kent een grillige voorgeschiedenis. Ten eerste betrof het een onverwachte ontdekking. In 1938 werkte dr. Roy Plunkett met Freon-verwante gassen (die ammonia en andere gevaarlijke stoffen in koelkasten moesten vervangen). Toen hij en zijn collega's een container met onder druk diepgevroren tetrafluorethyleen openden, was het gas verdwenen, maar na weging bleek het gewicht nog hetzelfde. Plunkett zaagde de container door: het gas had zich omgezet in een harde aanslag op de binnenwand. Onderzoek toonde aan dat het materiaal pas bij 250 graden Celsius smolt, door vrijwel geen chemicaliën werd aangetast en in bijna geen enkele vloeistof oploste. Maar productie door polymerisatie was kostbaar en riskant (een productie-eenheid in Arlington explodeerde in 1944) en toepassing samen met andere stoffen aanvankelijk moeilijk, door het hoge smeltpunt. Deze problemen werden echter opgelost en veilige productiemethoden gevonden. PTFE polytetrafluoretheen kreeg de handelsnaam Teflon, werd in 1945 gepatenteerd en staat in het Guinness Book of Records vermeld als de meest gladde substantie.

Het bleek een geweldige vondst, op vele gebieden toepasbaar. Maar Teflon werd vooral bekend als antiaanbaklaag in pannen. Eind jaren veertig al werden broden in Amerikaanse bakkerijen bereid in vormen met een Teflon-laagje en vanaf 1953 ging DuPont braad- en koekenpannen testen. Onderzoekers ontdekten echter dat bij hoge temperaturen giftige gassen vrijkwamen.

In Frankrijk werd het onverwacht een groot succes. (Luchtvaart)ingenieur Marc Grégoire hoorde van een collega dat hij Teflon kon aanbrengen op aluminium (door met zuren het oppervlak te etsen). Grégoires vrouw Colette opperde het idee pannen tegen aanbakken van een laagje teflon te voorzien en in 1954 werd hun patentaanvraag voor `Tefal' gehonoreerd. Marc bewerkte pannen in hun eigen keuken met teflon en Colette verkocht ze via straatverkoop. Franse koks pakten het product op en in 1956 openden de Collettes een fabriek. Tefal werd goedgekeurd door Franse gezondheidsinstanties en in 1958 werden een miljoen pannen verkocht, in 1960 bijna drie miljoen.

Dupont kwam achter dit succes en de Food and Drug Administration verleende in 1961 goedkeuring om teflon toe te passen bij keukenproducten. Niet DuPont – die weinig prioriteit gaf aan de verkoop – maar zakenman Thomas Hardie, die Marc Grégoire ontmoette in Frankrijk, zorgde voor een doorbraak in de VS. Hij importeerde 3.000 Tefal-pannen, zette ze uit bij 200 warenhuizen, maar er werden amper orders geplaatst. Tot kookboekenschrijfster Helen Corbitt uit Dallas ze uitprobeerde, razend enthousiast werd en ze in Dallas de winkel uitvlogen. De eerste pannen die Hardie aan supermarkt Macy's in New York verhandelde, waren ondanks een sneeuwstorm in twee dagen uitverkocht. De fabriek in Frankrijk kon de vraag – al snel een miljoen pannen per maand – niet aan, waarop Hardie zelf een fabriek bouwde in Maryland. Ook andere bedrijven gingen teflonpannen vervaardigen, maar ze bleken inferieur (de laag liet los). Pannen met een antiaanbaklaag kregen een slechte naam, de verkoop stagneerde en Hardie moest zijn fabriek verkopen.

DuPont pakte de draad weer op, verrichtte consumentenonderzoek, deed maandelijks 500 tests en stelde kwaliteitsrichtlijnen op. In 1968 verscheen Teflon-II op de markt. Maar nu deden verhalen de ronde, onder andere in een medisch tijdschrift, over gevaarlijke dampen. DuPont erkende incidentele gevallen van `polymeergaskoorts', maar zonder blijvende gevolgen. Het duurde nog jaren voordat de Teflon-pan door het Amerikaanse publiek werd omarmd. Tegenwoordig zijn Teflon- en Tefalpannen, en aanverwante antiaanbakproducten, in de meeste westerse huishoudens te vinden.

Dit is de laatste aflevering van deze serie. In oktober verschijnt bij Uitgeverij Ad. Donker het boek `Onverwacht Succes' van Lex Veldhoen. ISBN 9061005647.