Brussels recht en de Hollandse praktijk

Het overgrote deel van de wetten waar rechter Ruud Winter zich over moet uitspreken, heeft wortels in Brussel. ,,Europees recht is overheersend.''

Ruud Winter is president van het College van Beroep voor het bedrijfsleven. Het college is de eerste én hoogste rechter die uitspraken doet bij geschillen op het gebied van sociaal-economisch bestuursrecht. Als de eigenaar van een tuincentrum op zondag wél open wil zijn, kan hij bij het college beroep aantekenen. De boer die zijn koeien weigert te laten doden als er een virus rondwaart, komt ook bij het college terecht.

Eigenlijk, zegt Winter, is het college actief op gebieden waar elke gemiddelde Nederlander de hele dag mee in aanraking komt. Ontbijt met cornflakes en melk? Het college gaat over de additieven in de cornflakes en de vetpercentages in de melk. Mobiel bellen? Het college gaat over het telecommunicatierecht. 's Avonds vlees bij de maaltijd? Het college toetst besluiten die genomen zijn op grond van warenwetgeving en de landbouwkwaliteitswet. In totaal zijn er zo'n negentig wetten waarin het college de bevoegde rechter is.

Bij een gemiddelde zaak liggen op Winters bureau drie flinke stapels papier. Een stapel met Europese wetgeving, een stapel nationale wetgeving en nog een stapeltje met algemene maatregelen van bestuur. En zo gaat het bijna altijd, zegt Winter, want zeker 80 procent van de wetten waarover hij zich moet uitspreken, heeft Europese wortels. Het zijn Europese verordeningen, rechtstreeks toe te passen zelfstandige, Europese wetgeving. Of het zijn wetten die gebaseerd zijn op Europese richtlijnen. Een richtlijn is een opdracht aan de lidstaten om bepaalde resultaten tot stand te brengen, elke staat mag zelf uitmaken hoe dat in nationale wetten wordt ingepast.

We doen, zegt Winter, meer zaken mét dan zonder Europese dimensie. En dat was al zo in de beginjaren van het college, in de jaren vijftig, toen de Europese samenwerking net van de grond kwam. Winter: ,,Als je nu de jurisprudentie uit die tijd bekijkt, valt op wat de opvattingen toen waren over wat de invloed van het Europees recht zou moeten zijn. Rechters hadden een afstandelijke attitude. Niemand was er nog van doordrongen dat Europees recht een overheersende rol zou spelen.'' Met die attitude heeft het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen in Luxemburg korte metten gemaakt, zegt Winter. Het hof maakte keer op keer zeer duidelijk dat Europees recht gaat voor én boven het eigen nationale rechtstelsel.

Of dat goed is of juist niet, daar geeft Winter geen oordeel over. ,,Dat past een rechter niet.'' Hij wil er dit over zeggen: burgers realiseren zich niet altijd dat Europese regels vanuit een ander perspectief tot stand komen dan nationale wetten. Bij de totstandkoming van nationale wetten is er eerst een probleem. Vervolgens is iedereen het erover eens dat het probleem moet worden opgelost, en vindt iedereen het nuttig om er een wet voor te maken. Op Europees niveau gaat het vaak omgekeerd. Er komt regelgeving. En daarvoor moet draagvlak komen.

De regelgeving uit Brussel wordt niet per se méér, zegt Winter, het wordt wel gedetailleerder. En wanneer Europese regelgeving te veel ruimte laat aan lidstaten, kunnen de landen toch nog hun eigen weg volgen en dat kan weer een belemmering zijn voor de handel tussen landen. Duitsland had zijn eigen Reinheitsgeboten, zeer specifieke wetgeving die in praktijk alleen opging voor Duits bier. ,,Daarmee werden andere bieren uitgesloten, waarmee Duitsland toch zijn biermarkt afschermde.'' Gedetailleerde Europese regels hadden dat kunnen voorkomen.

Hoe moeilijk het soms voor lidstaten is de Europese regels te gehoorzamen, bleek in 2001, toen de mond- en klauwzeercrisis uitbrak en duizenden koeien in Nederland preventief moesten worden afgemaakt. Massaal wendden de boeren zich tot het college om de dodingsbesluiten aan te vechten die op grond van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren waren genomen. De boeren wilden hun dieren preventief vaccineren, maar Europese wetgeving verbood dat. Winter: ,,We werkten zeven dagen in de week. Soms kwam er om vier uur een verzoek om een voorlopige voorziening binnen, deden we 's avonds al uitspraak.'' Bij alle boeren was er haast geboden, het ging letterlijk om leven en dood.

In één geval, van iemand die niet in het virusgebied woonde en waar de dreiging van ziekte niet acuut was, besloot het college een speciale procedure te volgen: de fast-trackprocedure. Het college stapte naar het Hof van Justitie in Luxemburg om opheldering te krijgen over het vaccinatieverbod. ,,We wilden duidelijkheid of het Europese verbod nu werkelijk geldig was.'' Het was voor het eerst dat het Hof met toepassing van deze procedure zo'n verzoek in behandeling nam. De uitspraak kwam ,,indrukwekkend snel''. ,,Normaal duurt zoiets ruim twee jaar.'' Nu was er na drie maanden een arrest: het Europese vaccinatieverbod was geldig. En dus konden Nederlandse boeren geen ontheffing krijgen van het Europese vaccinatieverbod. De koeien waren terecht gedood.

Dit is de tweede aflevering van een serie over mensen die in hun werk te maken hebben met `Europa'. De eerste aflevering verscheen op 24 juni.