Terug naar de olie

De problemen bij het olieconcern Shell, zoals in onder andere deze krant beschreven, vormen de afspiegeling van een heel decennium: de jaren negentig, een tijdperk van onstuimige economische groei én de uitwassen daarvan. Het duurt doorgaans even voordat excessen naar buiten komen, zeker als ze plaatsvinden in relatief gesloten bolwerken die grote ondernemingen per definitie zijn. Pas de afgelopen maanden is min of meer duidelijk geworden wat er bij Shell de afgelopen jaren is misgegaan. Het olieconcern staat niet alleen. De gouden jaren negentig hebben door boekhoudschandalen bij Enron, Ahold en Parmalat een zwarte rand gekregen. Dat uitgerekend het immer als degelijk omschreven Shell ook getroffen is door het virus van de tijdgeest – groei die op niets was gebaseerd – is veelzeggend. Als zelfs Shell zijn predikaat van betrouwbaarheid verliest, moet er structureel veel fout zijn.

De vraag wat er allemaal mis is en hoe Shell zijn structuur kan verbeteren, beroert ook de vandaag gehouden aandeelhoudersvergadering. Verschillende zaken spelen door elkaar. Allereerst is er het thema waar alles om draait: de onreglementair geboekte oliereserves. Als afgeleide maar niettemin belangrijke zaak staat het bestuursmodel van Shell ter discussie. Uiteraard zijn er kruisverbanden tussen beide onderwerpen, maar het is niet gezegd dat de onregelmatigheden met de olievoorraden niet waren gebeurd als Shell een andere bestuursvorm had gehad. Het probleem is dat Shell ergens in de jaren negentig zijn wortels van `olieboer' heeft verloochend; dat de top groei omwille van de groei belangrijker ging vinden dan de exploratie en productie van olie, die door hun aard nu eenmaal wisselvallig zijn. Het concern veranderde in betrekkelijk korte tijd, ook door de instroom van een aantal Amerikaanse managers, van een onderneming met een obsessie voor olie in een bedrijf dat geobsedeerd was door groei, geld en bonussen. Beloftes die uiteindelijk niet konden worden waargemaakt, moesten voor cijfermatige onderbouwing zorgen. Met een daverende klap stortte begin dit jaar de boel in elkaar.

De huidige Shell-top zal allereerst het opsporen en uit de grond halen van olie weer centraal moeten stellen in de organisatie. Uiteraard met de bedoeling er geld mee te verdienen en groei mee te genereren. Maar het kan niet andersom zijn: de onderneming als financieringsmaatschappij van haar eigen overspannen ambities. Zo ging het ook mis bij Ahold en Parmalat, waarvan de bestuursleden uitblonken in financieel gegoochel en ten onrechte hun achtergrond negeerden van kruideniers en melkproducenten. Shell zal zijn bedrijfscultuur moeten veranderen. Loze beloftes, bonussen en de zucht naar persoonlijk gewin moeten plaatsmaken voor technische en financiële soliditeit die vooral het geheel ten goede komen.

In het verlengde hiervan zou het goed zijn als het concern één bestuursmodel krijgt. Het is zoals eerder op deze pagina de deskundigen Frentrop en Drees betoogden: ook bij Koninklijke Olie/Shell moet er volgens de beste Nederlandse en Duitse traditie een functiescheiding zijn tussen een aparte raad van bestuur en een aparte toezichthoudende raad van commissarissen. Door het Nederlands-Britse eigendom is dat bij de Engelse Shell-tak nu nog anders: daar zitten de toezichthouders ook in het bestuur, een onbevredigende gang van zaken, die de eenduidigheid niet ten goede komt. Shell moet terug naar zijn kernactiviteit: olie. Het `Neder-Duitse' bestuursmodel kan daarbij behulpzaam zijn. Voor een deels Angelsaksisch concern betekent dat een ingrijpende maar noodzakelijke mentaliteitsverandering.