Iran biedt blik in nucleaire afgrond

De wereld moet Iran op nucleair gebied niet zijn gang laten gaan. Er staat te veel op het spel, meent Brent Scowcroft.

Het Internationale Bureau voor Atoomenergie (IAEA) heeft onlangs Iran berispt, omdat het niet goed meewerkt met de internationale inspecteurs die nagaan of Teheran zijn verplichtingen op het gebied van non-proliferatie nakomt. Hoe zorgwekkend is deze ontwikkeling?

Iran heeft zelf toegegeven dat het stappen heeft gezet om capaciteit te ontwikkelen voor de verrijking van uranium, een van de twee methoden om splijtstof voor kernwapens te produceren. Iran zegt weliswaar dat zijn activiteiten uitsluitend bedoeld zijn voor de vreedzame productie van kernenergie en dat ze vallen binnen het Non-proliferatieverdrag, dat bedoeld is om de verspreiding van kernwapens tegen te gaan. Maar wanneer het vermogen tot verrijking eenmaal bestaat, is een belangrijke hinderpaal voor de productie van nucleaire wapens vrijwel weggenomen. De veroordeling door het IAEA is een teken dat de wereld mogelijk op de drempel staat van een ernstige aantasting van het non-proliferatieregime, om maar te zwijgen van een reusachtige nieuwe bron van instabiliteit in een uiterst belangrijke regio.

Door het uitblijven van een doeltreffende internationale reactie op de pogingen van Noord-Korea om productiefaciliteiten voor kernwapens te ontwikkelen, zijn de gelederen van de landen met kernwapenpotentieel misschien alweer met weer één land uitgebreid. Niet alleen mag worden aangenomen dat Noord-Korea dit jaar voldoende plutonium heeft opgewerkt om nog eens zes à acht kernwapens te produceren, het werkt naar verluidt ook, ter aanvulling op zijn bestaande faciliteiten om plutonium op te werken uit afgewerkte brandstofstaven, aan faciliteiten om uranium te verrijken.

Zou nu worden toegelaten dat Iran de middelen ontwikkelt om uranium te verrijken, dan is nauwelijks meer voorstelbaar dat andere landen ervan zouden kunnen worden weerhouden hun eigen verrijkingsinstallaties te ontwikkelen en dus ook de capaciteit te verkrijgen om voor kernwapens geschikte brandstof te produceren.

Dit is een kritiek moment. Menen wij met het ernstig met ons streven nucleaire proliferatie te voorkomen, of zullen wij toezien hoe de wereld wegzinkt in een maalstroom waarin nucleair materiaal dat geschikt is voor wapens. in overdaad beschikbaar is, en onvoorstelbare destructieve vermogens ter beschikking staan van ieder land of iedere groep die met de wereld nog iets te vereffenen heeft?

De blik in die afgrond zou ons tot actie moeten aansporen. De Verenigde Staten, Groot-Brittannië, Frankrijk en Duitsland hebben met betrekking tot het Iraanse nucleaire programma al blijk gegeven van een bemoedigende, zij het nog ontoereikende mate van samenwerking. Rusland is de voornaamste bron van hulp geweest bij de ontwikkeling van Irans nucleaire vermogen. Maar Rusland heeft Iran al laten weten dat het erop rekent dat de kernbrandstof van de centrale in Bushehr wordt teruggeleverd aan Rusland, waarmee het lijkt aan te geven dat het niet wenst toe te laten dat Iran aan het produceren van kernwapens toekomt.

In deze situatie zouden deze vijf mogendheden hun samenwerking moeten uitbreiden tot een gezamenlijk front tegenover Iran. Zij zouden kunnen verklaren dat zij bereid zijn om Iran alle medewerking te verlenen om, onder de nodige waarborgen, de opwekking van energie door middel van kerncentrales te realiseren. Zij zouden kunnen beloven om tegen een gunstig tarief voldoende kernbrandstof voor Iraanse kernreactoren te leveren, en de verbruikte brandstof weer uit het land af te voeren. In ruil daarvoor zou Iran plechtig moeten verklaren dat het niet zal proberen uranium te verrijken of verbruikte kernbrandstof op te werken.

De VS zouden waarschijnlijk moeite hebben met dit aanbod, dat vereist dat zij hun ernstige bedenkingen aangaande allerlei ongewenst gedrag van Iran op andere gebieden terzijde schuiven. Maar bij de non-proliferatie staat zoveel op het spel dat het toelaatbaar is deze kwestie afzonderlijk aan te pakken.

Als Iran oprecht meent dat het alleen om energie op te wekken in kernenergie is geïnteresseerd, zou dat voor dit land veruit de meest efficiënte en economische manier zijn om zijn doel te bereiken. Overeenstemming op dit punt zou ook de weg kunnen effenen voor multilateraal overleg over andere punten van zorg, zoals veiligheidsaangelegenheden. Wijst Iran een dergelijk aanbod af, dan zou duidelijk zijn dat het uit is op het verwerven van kernwapens. In dat geval zou de zaak moeten worden voorgelegd aan de VN-Veiligheidsraad en zouden de zwaarste sancties en een strikt isolement moeten worden toegepast.

Nu is Iran weliswaar een dringend geval, maar wij zullen daarmee geen succes boeken als wij het behandelen alsof het op zichzelf staat. Behalve Iran heeft ook Brazilië laten weten dat het van zins is een installatie te bouwen voor de verrijking van uranium. Als wij de regering in Brasilia haar gang laten gaan terwijl wij Teheran hard aanpakken, zal dit niet alleen een volstrekt verkeerde boodschap zijn aan het adres van proliferatoren in spe, maar zal het ook de kans op succes met Iran sterk verminderen.

Wanneer wij ons neerleggen bij het Braziliaanse verrijkingsprogramma, zou dat het effect hebben dat kandidaten voor kernenergie worden verdeeld in good guys en bad guys. Zo'n aanpak zou Iran een sterk wapen in handen geven bij het zoeken naar internationale steun voor zijn `vreedzame' nucleaire programma, en een wig drijven tussen de VS en Europa en Rusland.

De manier waarop Brazilië wordt aangepakt, kan van beslissende betekenis zijn voor de aanpak van het Iraanse nucleaire probleem, hetzij door Teheran over te halen om zijn plannen voor kernwapens te laten varen, hetzij – als Teheran zich niet schikt – door de internationale gemeenschap aan te zetten tot een hard optreden tegen Iran. Wij moeten derhalve Brazilië hetzelfde aanbod doen als Iran, en duidelijk maken wat de consequenties zijn als Brazilië het aanbod afslaat.

Los van deze stappen blijft er behoefte bestaan aan een goed doordacht algemeen programma ter versterking van de waarborgen van het Non-proliferatieverdrag en ter verbetering van de effectiviteit van het non-proliferatieregime. Maar als wij nu niet snel en doortastend optreden, zullen toekomstige pogingen om een alomvattend kader te creëren, meer dan vruchteloos zijn.

Brent Scowcroft was nationaal veiligheidsadviseur onder de Amerikaanse presidenten Gerald Ford en George H.W. Bush.