Wees aardig voor kippen, hou de bio-industrie in Nederland!

Zoals gewone economische bedrijvigheid zich verplaatst naar lagelonenlanden, verplaatst onze vleesproductie zich naar laag-dierenwelzijn-landen. Het wordt tijd om de Nederlandse intensieve veeteelt positiever te benaderen.

Nederland wast zich de handen schoon door de bio-industrie op de rem te gooien. Een slechte zet voor de dieren, want vlees blijven we wel eten. Dat vlees betrekken we steeds meer uit landen waar het met de manier waarop dieren gehouden worden helemaal diepe ellende is.

Neem de `robuuste' kip. Die komt eraan. Gewone kippen zijn ouderwets. Ze zijn naar huidige normen lichamelijk kwetsbaar en psychisch labiel – te schrikachtig, te oplettend en gevoelig. Maar de zegeningen van de wetenschap zijn talrijk. Zo kan er nu met genetische technieken gewerkt worden aan de verbeterde, zogenaamde `robuuste' kip.

Nóg robuuster. Het kleine persoonlijke drama van de hen is nu al juist dat zij haar eieren zelfs blijft leggen onder beroerde omstandigheden. En een vleeskip onder stress krijg je nauwelijks mager. De grens daaraan is in het geval de van kip al vrij uitputtend verkend dankzij de wereldwijde inspanning om een zo goedkoop mogelijk eitje of stukje filet te produceren.

Soms zijn de omstandigheden echter zó beroerd dat kippen het toch laten afweten. Ze doen het niet meer. Ze weigeren nog te leggen of nog voldoende vlees aan te zetten.

Daarom wordt nu in Nederland, in eendrachtige samenwerking tussen wetenschappers en voedingsbedrijven, gesleuteld aan de extra robuuste kip, voor extra beroerde omstandigheden. Niet die in Nederland, natuurlijk, welnee. De omstandigheden voor dieren in de bio-industrie hier zijn niet buitengewoon beroerd vergeleken met elders. Er zijn zelfs een paar plannen voor verbetering. Niet voldoende voor een echt trots Oranjegevoel: internationaal kunnen we meekomen, ook al verliest ex-gidsland Nederland inmiddels zwaar van landen als Oostenrijk.

Maar Nederland haalt een eigenaardige truc uit. Het welzijn van dieren in Nederland willen we nog wel eens gewetensvol bespreken, maar ondertussen importeren we steeds meer `hardcore' bio-industrieproducten, waar we moreel gezien blijkbaar geen omkijken naar hebben. Vooral de ontwikkelingslanden groeien uit tot goedkope producenten. En daar is die robuuste kip een uitkomst. Huisvesting, verzorging en ziektebestrijding zijn daar, zo signaleren kippenkenners met een aangenaam eufemisme, ,,niet altijd even goed van kwaliteit''. Dus wordt de kip verbeterd, tot een betrouwbaarder productiedier.

Die robuuste kip maken we om haar via een wereldwijde omweg weer uit Azië terug te krijgen. Het wachten is nu op het verbeterde varken, als Nederlandse vinding, dat berekend is op goedkope omstandigheden in het voormalige Oostblok. Oost-Europa is bezig de Nederlandse varkenshouders er snel uit te concurreren. Die laatsten halen de absolute bodemprijs niet meer, door onder meer opgelegde welzijnsmaatregelen en kosten voor de mesthuishouding.

In de bio-industrie draait het om het verkrijgen van een maximale productie tegen een zo laag mogelijke kostprijs. De bewuste consument schudt daar het hoofd over, en doet zijn boodschappen vervolgens bij de prijskraker. Maar de bodem kan nog onder die minimumprijs uit. Zoals gewone economische bedrijvigheid zich verplaatst naar lagelonenlanden – in Appelscha kun je gebeld worden vanuit een call centre in India, Pim-Pam-Pet wordt voortaan voor Nederland gemaakt in Korea – verplaatst onze vleesproductie zich naar lage-dierenwelzijn-landen.

Ondertussen ligt de intensieve veeteelt in eigen land zwaar onder vuur van idealisten. Logisch en terecht. Maar een einde aan de bio-industrie, een nationale afbouw daarvan, zoals onder meer de spraakmakende Partij voor de Dieren voorstelt, werkt averechts.

Vanuit praktisch idealisme kun je beter stellen: hou de bio-industrie in Nederland. Zo blijven we er zelf bij. Natuurlijk, het moet beter, maar het kan ook nog slechter. Het kan extra beroerd.

Mens en dier vervreemdende bioindustrie de wereld uit? Prima. Maar totdat het zover is, niet uit Nederland. Is er ,,geen plaats in een beschaafde samenleving voor een systeem dat geen enkele ruimte laat aan het dier om echt dier te zijn''? Misschien. Maar toch, de wat betreft omgang met dieren nog enigszins beschaafde of in ieder geval schuldbewuste samenleving, is juist niet de slechtst denkbare plek. `Dierenwelzijn' is in Nederland en westerse landen een begrip. Een begrip dat je kunt gebruiken zonder op onbegrijpend gelach te stuiten – iets wat in Azië en Afrika een stuk lastiger is. Het is zelfs een begrip waarmee we rekening houden, zij het bij voorkeur in theorie. We kennen in ieder geval het knagende gevoel van onfatsoen, iets wat elders ook niet altijd voorhanden is. Raadpleeg uw reisherinneringen, of de geboekstaafde notities van anderen. Of neem de treffende foto's in de kranten van het ruimen van griepkippen in Azië – met geschroeide kippen die aan de levende brandstapels proberen te ontkomen, en de gulle lach die ze bij de omstanders oproepen. En daar gaan wij dan onze speciaal gefokte `robuuste' kippen naartoe sturen, in de veilige wetenschap dat die wel een extra stootje kunnen hebben, dat ze meer kunnen lijden.

We kunnen beter kiezen voor de verantwoordelijkheid in eigen land, voordat we op een diffuse markt niet meer weten waar die ligt. Geen afbouw van de intensieve veehouderij. Bouw hem weer op, met fatsoen.

Zeker, met de komst van de bioindustrie is Nederland getroffen door een gruwel. Of, zoals Rudy Kousbroek onlangs hier schreef (3 april 2004): ,,Het drama is dat de befaamde `tucht van de markt' leidt tot de druk om steeds goedkoper vlees te produceren, met funeste consequenties (...). Niet alleen de fatsoenlijke veehouderij, maar een hele landelijke cultuur wordt systematisch om zeep gebracht.''

Kousbroek was daarbij nog zo positief dit in de tegenwoordige tijd te stellen, want er wérd al veel om zeep gebracht. Maar goed, nu de laatste gewoonterechten van het dier eraan gaan – zoals de simpele weidegang, waarvan iedere koe eventjes helemaal opleeft – is het inderdaad handig te stellen dat er ook nog wat te redden valt. Dat gebeurt alleen als je de huidige bio-industrie met man en economische macht weer omvormt, als je het `productiedier' weer maakt tot het landbouwhuisdier dat het was.

Laten we wat resteert aan Nederlandse veehouders nu juist eens helpen. Op de korte termijn met overleven. En op de iets langere termijn met de vaak door hen zelf ook zo gewenste verbetering en schaalverkleining. De Nederlandse overheid en allerhande belangengroeperingen moeten er alles aan doen om ons lapje vlees en ons ei duurder te krijgen. Dit zou nu eens een aardig punt zijn om de globale economische markt eigenwijs te negeren – met het morele gelijk dat flink opweegt tegen stennis rond vrijhandelsovereenkomsten. Op een recent Europees Dierenwelzijnsdebat werd het al gesignaleerd. Mochten de dieren in Europa – neem Nederland – een goed bestaan krijgen, dan kan de Wereldhandelsorganisatie ons dwingen goedkopere kip uit Zuid-Oost Azië te importeren en de EU kan ons verplichten spotgoedkoop Pools varkensvlees af te nemen. Voorlopig is zulke dwang absoluut overbodig. Want de markt en de consument regeren – voor de deeltijd-carnivoor komt het goedkope vreten vóór de moraal.

Het probleem is bekend. Tussen de principes van dierenliefhebbers en het koopgedrag van de consument gaapt een gat. De massa heet `inert' te zijn. U en ik zijn die inerte massa. In een zondagse bui kiezen we het geruststellend groene bakje vlees in de supermarkt uit het schap, want dat heeft het predikaat `biologisch' of `Green Fields'. Voor de rest krijgen we met die nog steeds vage certificering geen enkele zekerheid, maar het is duurder (niet zelden tweemaal zo duur) en het vlees oogt wat vleziger – dus we mogen hopen dat daarachter inderdaad door Ierse weiden huppelende koebeesten schuilen.

En in een doordeweekse bui kiezen we voor de portemonnee. Omdat het zo dom is daarvan de dief te zijn. En omdat dat kán. Ondanks de relatief stevige groei van het gebruik van biologisch en scharrelvlees ligt dat nu op zo'n twee procent van de totale omzet. Tel uit, je welzijnswinst. En door de buitenlandse concurrentie wordt het prijsverschil alleen maar groter.

Zoiets moet niet kunnen. Als de overheid zich ergens in de markt mag mengen, dan is het hier. Hoge accijns op buitenlands industrievlees, een niet-welzijns-toeslag op standaard Nederlandse productie. (Dat is misschien wel een betere aanpak dan de `Welzijnsheffingen' die de PvdD voorstaat in haar programma). En de meeropbrengst gebruiken voor herstel van de veehouderij, een van de oudste Nederlandse bedrijfstakken die in een historische handomdraai haast onherkenbaar veranderde. Met financiële ruimte voor boeren die het weer netter aan willen pakken.

Zorg tegelijkertijd voor duidelijke keuzes voor de consument, die nu nog steeds moet raden welke certificeringsgeheimen schuilgaan achter `scharrelei', `maïsei', `grasei' of `viergranenei', waar het hopelijk om kippeneieren gaat - waarvan we willen weten hoe fatsoenlijk ze zijn. Begraaf het monstrumbegrip `biologisch vlees' en geef begrijpelijke invulling aan wat wél bedoeld wordt. Helderheid kan werken. Je zou uit een in Nederland gedrukt etiket toch willen kunnen opmaken of je ei zonder `snavelkap' is geproduceerd – al is die ingreep pas over twee jaar echt verboden – en of je ei is voortgebracht zonder kippenkannibalisme. Dat je varkenslapje geen kale-betonvloer-verleden heeft. Dat je melk is geproduceerd door een koe die daglicht heeft gezien en gras heeft geoken. Dat je buitenlandse stukje koe zonder tongamputatie is voortgebracht. (Intensief gehouden binnenkoeien willen nog weleens `probleem'-koeien worden en aan elkaars uiers gaan zuigen. Tongamputatie, in Nederland tegenwoordig verboden, kan dat gedrag verhelpen.)

Duidelijk moet worden wat een goed gehouden dier was. De certificering kan veel beter en nadrukkelijker. In een maatschappij die het voor elkaar heeft gekregen dat op een simpel pakje sigaretten koeien van waarschuwende letters staan die de roker brandmerken, moet het mogelijk zijn voorverpakt vlees ook leesbaar te brandmerken. Liefst op een behoorlijk betrouwbaar te verwezenlijken schaal met welzijnscategorieën van, pakweg, 1 (nihil) tot en met 5 (hoog, vrijwel ideaal). Op grond van manier waarop de dieren zijn gehouden, inclusief de transport- en slachtomstandigheden. Ook die zijn van belang. Want de nu in Nederland vaak gegeten Afrikaanse koe – nee, op het pakje is het niet te achterhalen – was welwillend bezien weliswaar een scharrelkoe, maar haar verdere verwerking hoeft niet optimaal geweest te zijn.

Zulke certificering is er niet. Sterker nog, zelfs aan de meest simpele vorm van traceerbaarheid van vleesproducten voor de consument mankeert nog van alles: vermelding van het land of desnoods werelddeel van herkomst. Dat kan makkelijk anders.

Kortom, helderheid en actief beleid. Niks de vrije markt de markt laten. Daarvoor zijn sommige dingen, zoals ons zelfrespect als dierenconsument, te belangrijk. Door de prijskrakerij is de bodem onder het laatste restje fatsoen weggeslagen, de taak ligt er voor de nu eens heerlijk bemoeizuchtige overheid om die bodem weer aan te brengen en gaandeweg omhoog te krikken. Tussen dierenfatsoen-droom en koopdaad zullen praktische bezwaren in de weg blijven staan. Helemaal goed komen zal het niet, de boerenidylle keert niet weerom. Maar juist door onze veeteelt ín Nederland behouden we de mogelijkheid van verdere verbetering. Dat werkt beter dan de kip te `verbeteren'.

Frans van der Helm is etholoog en publicist.

Hij schrijft vooral over diergedrag en natuurbescherming.