Terug naar de tuinstad

De omgeving waar mensen wonen is van groot belang voor hoe ze leven. We moeten niet afzien van de wil om nieuwe sociale verbanden te bevorderen. De westelijke tuinsteden in Amsterdam zijn een interessante proeftuin.

Mijn grootvader regeerde lang over de stadsplanning van Amsterdam, om precies te zijn van 1928, toen hij het eerste hoofd werd van de afdeling stadsontwikkeling, tot aan zijn pensionering in 1952. Het waren opwindende jaren, vooral natuurlijk de tijd waarin het nu fameuze Algemeen Uitbreidingsplan in 1934 tot stand kwam, onder verantwoordelijkheid van Cornelis van Eesteren, Theo van Lohuizen en mijn grootvader.

Uit de memoires van Lou Scheffer krijgen we een goede indruk van zijn houding en motieven. Zijn inspiratie haalde hij allereerst uit de beweging van de garden-city, de tuinsteden, die in Groot-Brittannië ontstond, met als leidende figuren Howard en Osborne. De achtergrond van deze hervorming was duidelijk: de sloppenwijken, een eufemisme voor de onbeschrijfelijke armoede en chaos waarin velen in de miljoenenstad London leefden, werden in het Victoriaanse Engeland gezien als een moreel schandaal en tegelijk als een bedreiging voor de maatschappelijke orde.

In de beweging van de tuinsteden speelde ook een cultureel gemotiveerd verzet mee tegen de stad als bron van beschavingsverval. Maar het was mogelijk om het beste van de stad en het beste van het platteland te combineren in een nieuw project: de tuinstad. Daarmee werd de schepping van kleinere, op zichzelf aangewezen steden beoogd buiten de centrale stad, die door een groene ring zou worden beschermd tegen ongecontroleerde groei. De beweging voor de tuinsteden, het begin van de stadsplanning in haar moderne vorm, was innig verbonden met de sociale kwestie, vooral opgevat als de samenballing van armoede en achterstand in bepaalde wijken. De ingrepen in het woonmilieu en een beschavingsideaal hoorden bij elkaar.

Nu, op de kop af zeventig jaar na het Algemeen Uitbreidingsplan, is een grootse reconstructie gaande van de westelijke tuinsteden. Stadsdelen als Bos en Lommer en Geuzenveld gaan op de schop. Die ingreep probeert een antwoord te geven op een nieuwe sociale kwestie, zoals de tuinsteden een antwoord waren op de sociale kwestie zoals die zich rond de vorige eeuwwisseling aandiende. Net zoals in de Bijlmer zijn de westelijke tuinsteden een gebied geworden waarin we een optelsom van problemen zien. Die worden ten dele op dezelfde manier als vroeger gepareerd, namelijk door fysieke ingrepen in het woonmilieu. Niet minder dan 13.500 corporatiewoningen worden gesloopt, eenderde van het totale bestand; er komen 24.000 woningen voor in de plaats.

Ook nu gaat het om een streven naar integratie, om de beheersing van een nieuwe sociale kwestie die zich in vrijwel alle grootstedelijke gebieden van Nederland, maar ook in de ons omringende landen voordoet, en die veel te maken heeft met de migratie van de afgelopen veertig jaar.

Over twee jaar is de omslag een feit: in 2006 zal een meerderheid van Amsterdam allochtoon zijn. Bij het gebruik van deze term vallen veel kanttekeningen te maken – in deze statistiek zijn ook migranten uit de geïndustrialiseerde landen meegeteld – maar het is een symbolisch omslagpunt van betekenis.

Kijken we alleen naar migranten uit de niet-geïndustrialiseerde landen, dan komt het aandeel van de etnische minderheden over tien jaar uit op zo'n 45 procent, nu al is ongeveer tweederde van de jeugd in Amsterdam afkomstig uit deze groepen. In de westelijke tuinsteden is de omslag razendsnel gegaan: niet-westerse allochtonen vormden in 1980 nog 8,6 procent van de bevolking van de westelijke tuinsteden, nu ligt dat op 54,6 procent.

De gevolgen van deze omslag zijn voor eenieder zichtbaar. Hoezeer men ook onder de indruk raakt van de dadendrang in de hedendaagse tuinsteden, toch blijven we met een prangende vraag achter, die ergens in een zijlijn van het plan Richting Parkstad 2015 wordt geformuleerd: ,,De opdrachtgevers worstelen met de vraag hoe de fysiek-ruimtelijke vernieuwing kan worden gekoppeld of tenminste parallel geschakeld aan de sociale vernieuwing.'' Daar is niets te veel mee gezegd, want de inrichting en bebouwing van de tuinsteden worden wel vernieuwd, maar hoe staat het ondertussen met de mensen die er wonen?

Het gaat in wezen om twee vraagstukken: sociale ongelijkheid en etnische segregatie. Kijken we naar sociale indicatoren, dan valt op dat door de gunstige economische conjunctuur in de laatste tien jaar een daling te zien is van de laagstbetaalden. Cruciaal is echter het volgende: die daling is bij gezinnen niet te zien. Daar zien we een polarisering tussen gezinnen in de hogere inkomensgroep en de gezinnen in de laagste categorie. Anders gezegd: gezinnen die middeninkomens verdienen, zijn er weinig: ze verlaten inderdaad de stad. Wat we geleidelijk aan overhouden, zijn rijke en arme gezinnen en dat verklaart ten dele de segregatie in het onderwijs.

Het opleidingsniveau van de bevolking van de tuinsteden is over het geheel genomen niet hoog. Kijken we naar de Cito-scores per stadsdeel, dan zien we op sommige plekken een lichte stijging, op andere plekken stagneren de resultaten. Die stijging wordt sterk benadrukt door de gemeente, maar we moeten de Cito-scores met de nodige terughoudendheid bekijken. Sommige schattingen spreken van zo'n 10 tot 15 procent van de zwakste leerlingen die buiten de toets worden gehouden. Bovendien zijn de gegevens per etnische groep niet openbaar en dat is raar. We mogen wel weten hoeveel Marokkaanse boefjes er zijn, maar niet hoe het gaat met Turkse jongeren op de basisschool.

De gemeente schrijft in een nieuwe stadsvisie: ,,Amsterdam bezit de basisvoorwaarden om bij de huidige eisen van de wereldeconomie aan te sluiten.'' Maar sluit de beroepsbevolking eigenlijk wel aan op de eisen van een kenniseconomie? Wat we zien is een toenemende afstand tussen degenen die aansluiting vinden bij een globaliserende economie en degenen die afvallen. Die afstand loopt niet simpel langs de scheidslijn allochtoon-autochtoon: ook in de kring van migranten zien we de kloof groeien tussen degenen die de sprong naar de middenklasse maken en degenen die een onderklasse dreigen te gaan vormen.

Die sociale veranderingen hebben ook een ruimtelijke weerslag. Voor Amsterdam zouden we kunnen zeggen dat zich steeds meer het beeld opdringt van een stad binnen en een stad buiten de ringweg. De A10 vormt niet alleen een fysieke barrière tussen de vooroorlogse en naoorlogse stad, maar ook meer en meer een mentale scheidslijn. Een rapport van het Kohnstamm-instituut bevestigt dat er een hoge mate aan segregatie in de Amsterdamse scholen bestaat. In de stadsdelen die ons bezighouden, is die deling van zwarte en witte scholen vrijwel compleet, ook al omdat veel autochtone ouders hun kinderen elders op school doen.

Over de prestaties van zwarte en witte scholen lopen de meningen uiteen, maar in het Kohnstamm-rapport wordt deze vraag naar de cognitieve gevolgen van eenzijdig samengestelde scholen met vrijwel uitsluitend allochtone achterstandsleerlingen beantwoord met een vaag ,,het lijkt wel mee te vallen''. Men praat er liever niet over, omdat de ,,directeuren vooral beducht zijn voor het psychologische effect van de koppeling tussen kleur of allochtoon met zwakke prestaties''.

Maar het gaat toch allereerst om waarheidsvinding, zou je zeggen, en dan is het toch niet zo gek om vast te stellen dat er in migrantengezinnen taalachterstanden zijn. Die kunnen worden versterkt door een eenzijdige omgeving, zoals nu blijkt in Bos en Lommer, waar het taalniveau van kinderen die op school komen in de afgelopen jaren blijkt te dalen. Meer dan 60 procent van de leerlingen uit de etnische minderheden gaat naar het vmbo, in het geval van de Nederlandse leerlingen is dat precies omgekeerd: bijna tweederde van hen gaat naar havo/vwo. Het is in die omstandigheden een relevante vraag of de eenzijdige samenstelling van scholen een zelfstandige invloed heeft op de leerprestaties.

Waar minder verschil van mening over bestaat, zijn de sociale gevolgen van deze segregatie. Wie kijkt naar patronen van sociale interactie – hoe groot is de kans dat allochtonen en autochtonen contact met elkaar hebben ziet duidelijke trends. De onderzoeker Dagevos is stellig: ,,Voor Nederland als geheel is onlangs vastgesteld dat de vriendenkring van minderheden in de afgelopen tien jaar steeds vaker uit leden van de eigen groep is gaan bestaan. De belangrijkste reden daarvoor lijkt de toegenomen segregatie te zijn.''

Waar het om gaat, is dat door de opeenstapeling van achterstand in bepaalde buurten of scholen sociale problemen worden verhevigd, maar ook conflicten ontstaan die het democratisch leven bedreigen. Dat hebben we de afgelopen jaren wel gezien. Kortom, segregatie doet niet alleen afbreuk aan de emancipatie van de betrokken groepen, maar ondermijnt ook de pacificatie, zeg maar de mogelijkheid van vreedzame conflictoplossing in een samenleving. Omdat veel onderzoekers alleen oog hebben voor de lotsverbetering van migrantengroeperingen en eigenlijk veel minder kijken naar de interactie tussen nieuwkomers en ingezetenen, hebben ze die kant van het debat helemaal niet waargenomen.

Hoe moeten we, tegen die achtergrond, kijken naar de reconstructie van de westelijke tuinsteden? De motieven van de bestuurders zijn niet eenduidig: de een zegt te streven naar etnische menging en wil expliciet proberen autochtone bewoners naar de tuinsteden te lokken. Anderen streven eerder naar sociale menging, door vooral de allochtone middenklasse in de wijk te houden. In beide gevallen wordt ontmenging naar klasse of naar kleur, of naar klasse én kleur als een probleem ervaren.

De Amerikaanse socioloog Herbert Gans heeft in zijn klassieke boek People and Plans (1968) vraagtekens gezet bij het streven naar menging, dat te vaak is begeleid door de simpele gedachte: ,,bekend maakt bemind, wanneer mensen elkaar leren kennen, neemt de tolerantie toe''. Dat is natuurlijk rijkelijk naïef. Er valt wel iets voor te zeggen dat de segregatie een tijd lang conflicten heeft gedempt: verschillende groepen kwamen nauwelijks met elkaar in aanraking en waar dat gebeurde zoals in de tuinsteden, stemden de autochtonen met hun voeten. De verandering van de afgelopen jaren heeft zeker te maken met het gegeven dat de middenklasse nu ook wordt geraakt door de immigratie: de omvang daarvan maakt pacificatie door segregatie steeds moeilijker. Het langs elkaar heen leven lukt steeds minder.

Een matiging van de verwachtingen omtrent het mengen is goed, maar wat blijft is dat opeenhoping van achterstanden voor een deel het gevolg is van goedbedoelde stadsplanning, waardoor sociale woningbouw in bepaalde wijken zó overheersend werd dat de emancipatie die werd beoogd in zijn tegendeel verkeerde. Het laat zien dat de tijd waarin de grote steden maar heel weinig eigen woningbezit kennen in Amsterdam is de verdeling: koop 21 procent, sociale huur 55 procent en particuliere huur 24 procent – achter ons gelaten moet worden. De woningcorporaties lijken hier vooralsnog niet erg toe geneigd te zijn. We kunnen zonder overdrijving zeggen dat ze vroeger een vehikel van emancipatie waren en nu een struikelblok zijn geworden voor sociale stijging.

Naast het tegengaan van een ruimtelijke verdichting van achterstand, is iets anders nodig, zeker als de patronen van segregatie hardnekkiger zijn dan we nu aannemen. Dat legt een grotere druk op het streven naar integratie langs andere wegen. Het vraagt met andere woorden om een duidelijker idee over cultuuroverdracht, een sterker ontwikkeld besef van burgerschap.

Misschien is er een cruciaal verschil met de generatie van mijn grootvader: namelijk een groeiend geloof dat de samenleving niet maakbaar is, een postmoderne afwijzing van planmatig denken die meestal eindigt in een lofzang op de ,,gefragmenteerde stad''.

Daar tegenover staat het vermoeden dat ruimtelijke ordening, sociale emancipatie en culturele integratie nog steeds iets met elkaar te maken hebben. Die houding was zeker aanwezig bij de vorige generatie en ze verdient het om in geheel andere omstandigheden opnieuw uitgedacht te worden.

Er is niet minder behoefte aan cultuuroverdracht, maar eerder aan meer. De verlegenheid is echter groot en dat uit zich in de grote nadruk op diversiteit. Wat we nu beter zien, is de zwakte van deze nadruk op het verschil en het ontwijken van de vraag naar gedeelde normen. De Britse socioloog Ali Madanipour schrijft: ,,Het vraagstuk van sociale uitsluiting en integratie draait goeddeels rond toegang: toegang tot besluitvorming, tot hulpbronnen en tot gemeenschappelijke verhalen.'' De politieke kant, toegang tot besluitvorming, en de economische kant, toegang tot middelen, krijgen steevast alle nadruk. Meestal wordt de culturele kant van integratie, de toegang tot gemeenschappelijke verhalen, vergeten.

Aarzelend wordt nu ingezien dat zoiets als een canon, dat wil zeggen een kern van historische en literaire basisteksten die in het onderwijs worden overgedragen, wezenlijk is voor een samenleving. Zeker, zo'n canon is natuurlijk altijd in ontwikkeling en behoort een uitnodiging tot kritische zelfreflectie te zijn, maar is onontkoombaar. Hoe wil men het gesprek met elkaar voeren als er geen gemeenschappelijke referentiepunten meer zijn? Wat hebben we aan gemeenschappelijkheden nodig om op een betekenisvolle manier van mening te kunnen verschillen?

Het is geen toeval dat er iets ontbreekt in het grote-stedenbeleid. Het berust op drie pijlers: de fysieke, de sociale en de economische. In deze opzet missen we iets wezenlijks: de culturele pijler. Dat is een groot tekort, omdat alle steden worstelen met de vraag hoe op een eigentijdse manier burgerschap moet worden bevorderd en daar speelt historisch gevoel een rol bij. Want wat is burgerschap uiteindelijk anders dan het inzicht dat er iets aan ons vooraf is gegaan en dat er iets na ons komt?

Over die verhouding van vernieuwing en verleden gaat het ook in de stadsplanning. In de publicatie Moderne steden met een verleden van Henk Döll en Paul Meurs kunnen we onder meer lezen over de omgang met de naoorlogse wijken: ,,Het is de uitdaging om niet rücksichtslos te vernieuwen, maar de wijken juist in een behoedzaam proces van transformatie om te bouwen tot stadsdelen met een historische gelaagdheid. Die vraag hoort bij de vernieuwing van de tuinsteden een belangrijke rol te spelen.''

Terwijl in de wijken wordt nagedacht over de wijsheid van het slopen, is het denken daarover in het onderwijs nog niet echt doorgedrongen. Wat ik niet begrijp is waarom kinderen niets of weinig te horen krijgen over de geschiedenis van hun stad. Waarom worden ze niet onder de arm genomen en leren ze iets over de achtergrond van de gebouwen en de straten, van de gebruiken en de omgangsvormen? Waarom worden ze niet aangemoedigd om aan de hand van schilderijen of andere kunstuitingen een historische gevoeligheid te ontwikkelen? Dat is belangrijk, want Geert Mak heeft gelijk: ,,Zo maak je duidelijk dat je de vrijheid en de welvaart van Amsterdam niet alleen kunt leeglepelen als een bord vla, dat Nederland geen vanzelfsprekendheid is maar in een eeuwenlang proces gemaakt is tot wat het is.''

Burgerschap begint aan de bovenkant, althans dat zou moeten, want mensen die niet verwikkeld zijn in de strijd om het dagelijks bestaan hebben meer mogelijkheden om zich te interesseren voor de wijdere omgeving. Daartoe moet ook preciezer gekeken worden naar de opkomende middenklasse van migranten, naar degenen die het grootste vermogen tot burgerschap hebben. Kunstenaars, ondernemers, wetenschappers, er valt van alles te verzinnen, maar ze moeten worden geprikkeld om zelf na te denken over de manier waarop de binding met de stad kan worden vergroot. Die verantwoordelijkheid wordt nu veel te weinig gevoeld. Dat was in die jaren van het uitbreidingsplan wel anders en daar kunnen we van leren, al zijn de tijden en de omstandigheden anders.

Er wordt van alles geprobeerd in steden als Rotterdam en ook Amsterdam, al zijn daar de debatten minder scherp dan in de Maasstad. Maar in de schaduw van de grote mediamieke kwesties als de ,,vignetten van Verdonk'' zijn er langetermijninterventies gaande die veel te weinig aandacht krijgen en natuurlijk veel wezenlijker zijn. Deze sociale hervormingen zijn ingegeven door een nadruk op maakbaarheid in tijden van migratie. Dit streven naar integratie is aan grenzen gebonden, en die grenzen worden nu op alle mogelijke manieren verkend.

We moeten leren van de onbedoelde gevolgen van veel maakbaarheidsgeloof, zonder daarbij nu af te zien van de wil om nieuwe sociale verbanden te bevorderen. Een gematigd pleidooi voor sociale menging en cultuuroverdracht wijst in die richting: hoe kan worden bevorderd dat mensen niet alleen dezelfde materiële ruimte bewonen, maar ook dezelfde mentale ruimte delen? De westelijke tuinsteden zijn een interessante proeftuin waar bestudeerd kan worden hoe beide processen verlopen en hoe ze op elkaar inwerken.

Daarom is de sociale geografie zo'n wezenlijke discipline. Omdat deze nadruk op de ruimtelijke aspecten van het menselijke samenleven cruciaal is, zeker in een tijd waarin gespeculeerd wordt over ,,het einde van de afstand''. In een globaliserende wereld van internet en moderne communicatiemiddelen zouden afstanden er steeds minder toe doen. Daarmee wordt iets gemist, namelijk dat het hele idee van een gemeenschap waar men deel van uitmaakt altijd ook een ruimtelijke kant heeft. De verhouding van het ruimtelijke en het sociale is buitengewoon ingewikkeld, dat hebben we in het voorgaande wel gezien. ,,Good fences make good neighbours'', is zo'n gedachteloos herhaalde zin waarover meer te zeggen is.

Muren en grenzen blijven cruciaal voor de maatschappelijke ordening. De stadsmuren van vroeger waren niet alleen een bescherming tegen indringers van buiten, ze omschreven ook een gemeenschap, een bezielde binnenruimte zoals de Duitse filosoof Peter Sloterdijk benadrukt in zijn vertelling Sferen. Uit deze vaak complexe ommuringen, die soms uit vele ringen bestonden, spreekt de noodzaak om grote aantallen mensen bijeen te houden in een ,,kring van betekenissen met gemeenschappelijke motieven en solidaire voorstellingen''. De sterke buitenwanden staan óók naar binnen gericht. Anders gezegd: vormgeving is altijd zingeving.

Elke gemeenschap bestaat in het trekken van een grens tussen binnen en buiten, in het scheppen van wat Sloterdijk omschrijft als een `immuniteitssysteem'. We moeten nadenken over de samenhang van zingeving en vormgeving, van bescherming en bezieling, van een effectieve en een affectieve inrichting van de openbare ruimte. Want de kern van het samenleven draait om de verhouding tussen binnen en buiten, tussen wat er bij hoort en wat niet meer. Het gaat over wat Abram de Swaan uitdijende en krimpende kringen van identificatie noemt. Hoe zou het toch komen dat er steeds meer gated communities worden gebouwd?

Wat ik wil suggereren: het overbruggen van afstanden en de inrichting van de ruimte waarin we leven, doen er nog steeds toe. De sociale geografie is een mooie manier van kijken. Door de zwaartekracht van wat in eeuwen is gevormd serieus te nemen, heeft deze discipline een natuurlijke verwantschap met de geschiedenis, zoals Michelet schreef: ,,Geschiedenis is vooral geografie.'' Wie zegt dat we leven in een wereld zonder grenzen, mist deze wezenlijke vraag volkomen.

Paul Scheffer is publicist en bijzonder hoogleraar

Grootstedelijke problematiek. Hij publiceerde in 2000 het geruchtmakende artikel `Het multiculturele drama'.

Verkorte versie van de oratie die gisteren werd gehouden bij de aanvaarding van de Wibautleerstoel, bijzonder hoogleraar grootstedelijke problematiek aan de UvA