Niemand wordt gelukkig van de vrije markt

Als je rijk bent heb je dat aan jezelf te danken. En als je arm bent heb je dat aan jezelf te wijten. Dat is de essentie van het begrip meritocratie, betoogt de filosoof Alain de Botton in het eerste nummer van het kwartaalblad Intelligent Life, een nieuwe loot aan de stam van het Britse weekblad The Economist. Een van de paradoxen van het moderne leven is, zo betoogt de auteur, dat we rijker zijn dan ooit, maar tegelijkertijd meer moeite hebben dan ooit om ons gelukkig te voelen.

Je kunt veel zeggen van ,,het rigide hiërarchische systeem dat tot in de achttiende eeuw standhield'', maar het bood de leden van de onderklasse in ieder geval de vrijheid om zichzelf te zijn zonder de verplichting zich in de samenleving op te werken. Op dit moment is het volgens de auteur, auteur van het recente boek Status Anxiety, zo dat ,,het creëren van een volledig meritocratische samenleving een van de weinige ambities is die gedeeld wordt door politici van alle partijen''.

Er zijn, vindt de filosoof, ,,twee manieren om mensen rijker te maken: geef ze meer geld of beperk hun verlangens''. Meer geld genereren is goed gelukt, maar het verlangen beperken is in het tegendeel verkeerd. Onze samenleving stelt ons in staat steeds meer inkomen te verwerven. We zouden ons dan ook steeds rijker moeten voelen. Dat is niet het geval: onze verwachtingen blijven onbeperkt groeien, gevoed door de ideologie van de meritocratie.

Ontwikkelingslanden hebben geen boodschap aan meritocratie, maar wel aan rechtsbescherming, betoogt de publicist Art Kleiner in het kwartaalblad Strategy & Business in een artikel over het werk van de Peruaanse ontwikkelingseconoom Hernan de Soto. De overgrote meerderheid van de inwoners van ontwikkelingslanden maakt deel uit van een informeel economisch systeem waarin het bijvoorbeeld onmogelijk is om krediet te krijgen bij betrouwbare banken, en waarin veel tijd, geld en energie verloren gaan aan het omkopen van functionarissen en aan het beschermen van het bezit. Volgens de Wereldbank kost het bijvoorbeeld in Angola ruim 5.000 dollar om een eigen bedrijf te beginnen, terwijl je in Nieuw Zeeland klaar bent voor 28 dollar.

De armen hebben wel bezit, zegt De Soto, maar omdat ze het niet kunnen gebruiken voor investeringen en voor economische groei is het ,,dood kapitaal''. Op mondiaal niveau hebben we het volgens hem dan over een bedrag van zo'n 10 biljoen (een miljoen maal een miljoen, HF) dollar. De enige manier om het dode kapitaal tot leven te wekken is om de economie te formaliseren. Dat betekent bijvoorbeeld dat de mensen rechten op hun bezittingen krijgen die ze ook daadwerkelijk kunnen uitoefenen, en dat ze kennis kunnen vergaren over de manier waarop ze dat moeten doen. Pas dan kan de veelgeroemde vrije markt in werking treden, meent De Soto.

Zijn beweringen gaan verder dan een theoretisch model, omdat hij tien jaar met succes heeft gewerkt aan het formaliseren van de economie in zijn geboorteland Peru. Grote internationale ondernemingen hebben volgens hem veel profijt van zijn werk, omdat het formaliseren van de economie hun de gelegenheid biedt om hun activiteiten in het betreffende land uit te breiden zonder in hun stereotype rol te vervallen als uitbuiters van goedkope arbeidskrachten of uitzuigers die het land beroven van zijn grondstoffen.

Wellicht is het tijd dat De Soto zijn licht ook laat schijnen in buurland

Bolivia. Want na twintig jaar te hebben gezucht onder de zegeningen van de vrije markt hebben de mensen er schoon genoeg van. Het Amerikaanse weekblad BusinessWeek meent dat ,,Bolivia er een volmaakt voorbeeld van is hoe moeilijk het is om armoede te bestrijden met marktvrijheid''. De grootste steen des aanstoots is een wet van 1996 waarbij de overheid voor veertig jaar lang concessies op gaswinning verleende aan enkele multinationale ondernemingen, waaronder het Braziliaanse Petrobrás en Koninklijke/Shell. Sindsdien bleek dat de gasreserves in Bolivia veel groter waren dan verwacht. Maar de Bolivianen merken niks van die rijkdommen.

Ook het publiek in de rijkere landen tekent protest aan tegen de uitwassen van de marktvrijheid, met name tegen reclame en marketing, zo schrijft het Britse weekblad The Economist in een special over de toekomst van de reclame. Volgens recent onderzoek van de Amerikaanse marketing consultants Yankelovitch Partners is de weerstand van het publiek tegen reclame nog nooit zo groot geweest als nu. Uit het onderzoek bleek dat 65 procent van de respondenten het gevoel had constant gebombardeerd te worden met reclameboodschappen. Geen wonder als je bedenkt dat de gemiddelde Amerikaanse consument per dag 3.000 reclameboodschappen te verduren krijgt.

En internet? Dat is goed voor slechts een miniem deel van alle reclame, zij het dat interactief adverteren wel groeit als kool. Maar zoals de radio de krant niet heeft uitgeschakeld, en zoals de tv de krant en de radio niet overbodig heeft gemaakt, zo zal ook internet de oudere media niet verdringen, meent het blad.