Hollands dagboek

Afgelopen week trof de Nederlandse jurist Marc Bentinck (50) de laatste voorbereidingen voor de soevereiniteits- overdracht in Irak. Bentinck werd in januari door Buitenlandse Zaken uitgezonden als politiek adviseur/liaison bij het hoofdkwartier van de Multinational Division South East in Basra. `Ik slaap in een metalen doos van vier bij anderhalf: my container is my castle!'

Woensdag 16 juni

Vanochtend om half zeven opgestaan. Ook deze dag moet verlopen volgens het ijzeren daily battle rhythm, de vaste briefings en vergaderingen van de door de Britten geleide multinationale divisie die vanuit Basra in zuidoost-Irak opereert. De humor en lichtvoetigheid van de Britse commandant, generaal Stewart, en zijn stafofficieren maken de eentonigheid van het hoofdkwartierenbestaan draaglijk. Net als de drie andere politiek adviseurs die de generaal en zijn staf bijstaan ben ik een groot deel van de dag gekluisterd aan mijn laptop, samen met de satelliettelefoon de navelstreng met de buitenwereld. We zitten behoorlijk opgesloten in deze snikhete, met prikkeldraad en wachttorens omgeven semi-woestenij, die ik alleen onder begeleiding van minimaal vier zwaarbewapende lijfwachten mag verlaten.

Twaalf uur. In de all-ranks mess werk ik mijn lunch naar binnen in het gezelschap van een paar bij het hoofdkwartier gestationeerde Nederlandse militairen.

Terug naar mijn laptop: alvast denkend aan mijn eerstvolgende rapportage aan `Den Haag' loop ik binnengekomen berichten door en speur ik het internet af, op zoek naar de laatste door mij te duiden feiten en opinies met betrekking tot Irak.

Zes uur. Samen met de andere stafofficieren neem ik deel aan de evening prayers – de avondbriefing waarbij de laatste aanslagen en alle vandaag lopende militaire activiteiten in het divisievak nog eens op een rijtje worden gezet. Kort daarna spoed ik me naar het lopend buffet dat ter gelegenheid van het vertrek van de chef-staf wordt aangeboden. Kolonel Tanner heeft de afgelopen zeven maanden met veel flair de divisie `gerund' voor zijn generaal, die hem duidelijk geëmotioneerd toespreekt.

Weer terug naar mijn laptop. De vaste Tweede-Kamercommissie voor Buitenlandse Zaken heeft de regering 127 schriftelijke vragen gesteld, ter voorbereiding van het debat volgende week met de Kamer over verlenging van de Nederlandse militaire aanwezigheid in Irak. Mijn rapportage aan `Den Haag' (Buitenlandse Zaken plus Defensie) afgerond en verzonden.

Het is inmiddels bijna tien uur 's avonds geworden als ik mijn kantoor verlaat om mijn 800 meter verder gelegen slaapplaats op te zoeken, een metalen doos van vier bij anderhalve meter: my container is my castle!

Donderdag

Half elf 's ochtends. Met mijn beschermengelen – de mariniers Van Leeuwen en Baars, de `landmachter' Van Embden en twee Britse militairen – rag ik door het chaotische verkeer van Basra-stad. Ooit was dat een kosmopolitische metropool, nu is het een samenklontering van doorgaans haveloze en broeierige wijken. Verplaatsingen door Basra waren tot voor kort Russische roulette: wacht `de tegenstander' ons deze keer wel op, onzichtbaar opgesteld ergens langs de weg, om onze voertuigen met zo'n `improvised explosive device' (IED) op te blazen? De laatste tijd zijn er gelukkig minder `contacten'. Heelhuids bereiken we het zwaarbewaakte regionale hoofdkantoor van de Amerikaans-Britse civiele bezettingsinstantie in Irak, de Coalition Provisional Authority (CPA). Met minder dan twee weken te gaan voor het herstel van de Iraakse soevereiniteit zijn alle CPA'ers druk aan het inpakken. Ik tref het, want ambassadeur Bremer – die in Bagdad aan het hoofd staat van CPA – blijkt hier in Basra vandaag alvast afscheid te nemen van de CPA-staf. De verzamelde stafleden spreekt hij kort toe, volgens mij moet hij doodmoe zijn. Op weg terug naar het hoofdkwartier word ik even somber bij de aanblik van dit gemartelde land dat nog zo'n lange weg te gaan heeft.

Vrijdag

's Ochtends vroeg vertrek ik naar de provincie Al Muthanna. Voor mijn terugkeer naar Nederland op 30 juni wil ik afscheid nemen van onze militairen en van mijn civiele Amerikaanse en Britse collega's die in de provinciale hoofdstad As Samawah nu nog maar twaalf dagen de CPA mogen vertegenwoordigen. Vanaf 30 juni zijn de Irakezen weer baas in eigen huis, ook in Al Muthanna!

13.00 uur, aankomst op de `compound' van het CPA-huis in As Samawah. Al snel valt me op dat het CPA-huis niet meer die gezellig gonzende ontmoetingsplaats is die het de afgelopen tien maanden was voor alle in Al Muthanna werkzame `internationals' en Irakezen. De meeste buitenlandse stafleden zijn al vertrokken of zijn bezig hun koffers te pakken, het resterende Iraakse personeel dat ronddoolt lijkt zich af te vragen wat de toekomst zal brengen.

Het hoofd van CPA in Al Muthanna, Jim Soriano, zijn laatste twee medewerkers, en mijn collega Robbert van Lanschot lunchen voor de laatste keer samen. Net als de rest van het meubilair is ook de keuken al uit het CPA-huis weggesloopt. We moeten het doen met legerrantsoenen. Ons samenzijn in dit spookachtige huis heeft iets surrealistisch. We wisselen nieuwtjes uit, praten over onze vertrekdata, maar moeten in feite nog heel erg wennen aan een nieuwe werkelijkheid: het CPA-tijdperk is voorbij. `CPA' was een experiment waarover nog veel geschreven zal worden, onze levens heeft het in elk geval maandenlang beheerst. Wat weemoedig staan we van tafel op, onze wegen scheiden zich nu.

Zaterdag

Ik word vroeg wakker in een container op kamp Smitty, het hoofdkwartier van de Nederlandse troepen in Al Muthanna. Collega Van Lanschot is inmiddels voor een cursus Opleiding en Begeleiding van Buitenlandse Zaken-Medewerkers in Crisisgebieden (!) naar Nederland vertrokken. Ik vervang hem voor een paar dagen in As Samawah. Na de ochtendbriefing praten luitenant-kolonel Van Harskamp, de commandant van het Nederlandse bataljon in Irak, en ik elkaar bij.

Ik breng de rest van de dag door met wat bureaucratische klussen in Van Lanschots werktent. Buiten is het zo warm en winderig dat er voor mij politiek niets te adviseren valt.

Zondag

Militairen zijn mij wel erg matineuze mensen: na de ochtendbriefing om 8.15 uur kom ik even bij in de Echos, een commercieel uitgebate uitspanning waar de bewoners van kamp Smitty zich graag verpozen. Uitkijkend over de ontspannen gang van zaken tussen de rijen prefabs, containers en tenten, heeft Smitty even iets weg van een bijzonder soort vakantiedorp. Niet voor niets geniet het kamp een goede reputatie bij de militairen van de andere coalitielanden: the Dutch are easygoing people.

Al tikkend in mijn werktent realiseer ik mijzelf hoezeer de tijden hier aan het veranderen zijn: het is niet langer de coalitie die de Irakezen vertelt hoe het moet, de Irakezen doen het tegenwoordig vooral zelf – en zo hoort het ook.

's Avonds praten mijn vriendin Irena en ik elkaar telefonisch bij over onze wederwaardigheden, het levert ons een geanimeerd en hartverwarmend gesprek op voor het slapen gaan, zij in Nederland en ik op kamp Smitty.

Maandag

Vanochtend woon ik de wekelijkse vergadering bij van het Provincial Security Committee (PSC) van Al Muthanna. Het PSC bespreekt alle veiligheidsgerelateerde onderwerpen in de provincie, onder voorzitterschap van de gouverneur en in aanwezigheid van de politiechef, leden van politieke partijen, de Nederlandse commandant in Al Muthanna, en een kolonel van de Koninklijke Marechaussee. De vergadering wijdt een discussie aan een plan voor de aanpak van de provinciale veiligheid na 30 juni. Tegen het einde van de vergadering neem ik het woord om afscheid te nemen van de gouverneur: ik wens hem veel bestuurlijk succes toe, in de wetenschap dat Irakezen en Nederlanders onder dat laatste niet noodzakelijkerwijs hetzelfde verstaan.

's Avonds slaat de vermoeidheid van zes maanden Irak opeens toe: ik slaap om negen uur als een blok in.

Dinsdag

Vanochtend de wekelijkse vergadering van de Provinciale Raad van Al Muthanna bezocht. Ik ben getuige van barokke discussies, inhoud en procedure lopen voortdurend door elkaar heen. Een spoedcursus vergadertechniek zou aan de geachte afgevaardigden besteed zijn. Maar misschien is dat te westers gedacht en moet `het Iraakse proces' maar de vrije loop krijgen.

Vanmiddag voor de tweede keer het oer-oude Oeroek bezocht, gelegen in een stoffige uithoek van Al Muthanna. Oeroek is vooral bekend van de legendarische Soemerische koning Gilgamesh, die ergens tussen 3000 en 2500 voor Christus over de stadstaat Oeroek regeerde. In de verpletterende middaghitte zwerf ik door de indrukwekkende, maar wegens geldgebrek zwaar verwaarloosde opgravingen. Ik waad door honderdduizenden scherven aardewerk, die hier zo maar voor het oprapen liggen. Afgezien van de door mijn oren suizende woestijnwind is het doodstil. Ik laat de betoverende aanwezigheid van dertig eeuwen Mesopotamische geschiedenis op mij inwerken en besef de betrekkelijkheid aller dingen – onze aanwezigheid in Irak daar zeker bij inbegrepen! Wij rijden terug over een schilderachtig landweggetje, niet ver van de oever van de Eufraat: kinderen wuiven ons toe in de ondergaande zon en het rurale Al Muthanna krijgt opeens iets heel idyllisch.

Woensdag 23 juni

Terugrijdend naar Basra denk ik, afwisselend, aan het verlengingsdebat in de Tweede Kamer dat vandaag plenair wordt afgerond en aan Al Muthanna dat ik nu achter me laat. Over een week ben ik terug in Nederland, waarmee een goed einde zal zijn gekomen aan een even aangrijpende als intensieve periode in mijn loopbaan en leven. Maar ik weet dat ik aan de Irakezen zal blijven denken, aan hun goede bedoelingen en aan onze Clash of civilizations of toch niet? Misschien moeten we het, voor de zoveelste keer, houden op die kenner bij uitstek van de Arabische ziel, T.E. Lawrence: ,,Better let them do a poor solution than you suggesting the best, for theirs is the land and the future and your time is short'' (uit: Seven Pillars of Wisdom).

Alleen onder begeleiding van minimaal vier zwaarbewapende lijfwachten mag ik het hoofdkwartier verlaten