Het dansende wonder

Moeten alle Nederlanders orgaandonor worden tenzij ze bezwaar aantekenen? Minister Hoogervorst (Volksgezondheid) overweegt dit systeem in te voeren om de wachtlijsten voor transplantatie te verkorten. Maar wat betekent orgaandonatie in de praktijk? Deze krant volgde een harttransplantatie van dood tot leven. `Ik ben geschrokken van de poppenkast.'

Een glimmend, bloedroze hart klopt in een lichaam. Daaromheen liggen longen en lever, alvleesklier en nieren in het felle operatielicht. Om de operatietafel van het Erasmus Medisch Centrum in Rotterdam cirkelen artsen en arts-assistenten, voor ieder donororgaan één specialist. ,,Dit is een mooi hart'', zegt thoraxchirurg Lex Maat. Een gezond hart is niet te groot, niet te vet, niet te bleek en pompt fanatiek bloed rond, om ook de andere organen in het lichaam in goede conditie te houden. Maat weet genoeg. Hij verlaat operatiekamer 16 en begeeft zich naar de patiënt die het hart zal krijgen. De thoraxchirurg zal haar voorbereiden op de transplantatie.

Nu de Wet op de Orgaandonatie dit voorjaar is geëvalueerd, wil minister Hoogervorst (Volksgezondheid) na de zomer beslissen of orgaandonoren op een andere manier geworven moeten worden. Op dit moment staat iemand na zijn dood organen voor transplantatie af als hij dat zelf wil of als zijn nabestaanden daarvoor toestemming geven – in het geval hij niets heeft vastgelegd. Maar het aantal donoren blijft achter bij de vraag en ook bij het aanbod in andere Europese landen: Spanje telt verhoudingsgewijs drie keer zoveel orgaandonoren en ook Belgen en Oostenrijkers zijn welwillender dan Nederlanders. Daarom pleiten artsen en patiëntenverenigingen voor een systeem naar Belgisch voorbeeld. Daarbij is een overledene na zijn dood altijd orgaandonor tenzij hij daartegen bezwaar heeft gemaakt.

Maar wie weet intussen wat orgaandonatie inhoudt, wat er met je gebeurt? Hoe beslis je of je na je dood donor wil zijn? Artsen van het Erasmus MC in Rotterdam en de familie van een orgaandonor stonden deze krant bij hoge uitzondering toe om een orgaandonatie van begin tot eind te volgen, aan de hand van één orgaan, het hart. Voorwaarde was wel dat lezers niet kunnen achterhalen wie het hart gekregen heeft. Daarom staat de datum van de operatie niet in de krant.

Vrijdag 10.00 uur

De intensive care-afdeling (IC) voor neurologiepatiënten ligt op de zesde verdieping van het Erasmus MC. Het is een zaal met zachtgroen linoleum op de vloer. Je hoort er wat je anders nooit hoort – tl-lampen zoemen, een vrouw slikt speeksel weg. Na een paar minuten klinken de beademingsmachines als stofzuigers. Rechts staat een balie, links staan acht bedden op een rij, met televisies erboven. Bij elk bed staat een computerscherm met rode, groene en blauwe lijnen. Die registreren de lichaamsfuncties. Het tweede bed is aan het zicht onttrokken. Er hangt een wit gordijn omheen.

In dit bed ligt een jonge vrouw. Haar artsen en verpleegkundigen vermoeden dat ze hersendood is, maar dat hebben ze nog niet officieel vastgesteld. De familie van de vrouw heeft zich er wel al op voorbereid. Ze staat als orgaandonoor geregistreerd. De verpleegkundigen en de artsen noemen haar consequent mevrouw. Heel soms met haar achternaam, Spencer.

Eerder, op woensdag

Conny Spencer (43) en Hans Sevenstern (44) staan op het punt om naar een brillenwinkel te gaan. Ze zijn vier jaar samen en verzamelen brillen, die hangen in rijen aan de badkamermuur. Ze willen twee identieke exemplaren afhalen, zij rood, hij blauw. Conny Spencer zit op een bureaustoel achter Hans Sevenstern. Ze plukt aan de knopen van zijn jas, er zit een papiertje aan. Opeens grijpt ze hem vast. Met een rochelend geluid glijdt ze van de stoel. Ze is buiten kennis.

Dan gaat het snel. Hans Sevenstern belt 112 en er rijdt een ambulance voor. Van de spoedeisende hulp naar de intensive care voor neurologiepatiënten, omdat een hoge bloeddruk kan wijzen op een hersenbloeding. De artsen vinden een gebarsten aneurysma, een bloeding in de wand van een hersenslagader. Conny Spencer moet geopereerd worden. De operatie duurt vier uur.

Als Hans Sevenstern diezelfde avond laat naar huis gaat, is zijn vriendin stabiel. Als hij de volgende ochtend om zes uur weer belt, niet meer. Opnieuw zijn er kleine bloedingen in de hersenen en treedt er zwelling op. Conny Spencer moet opnieuw geopereerd worden. De chirurg haalt een stuk van het schedeldak weg om de zwelling een uitweg te gunnen. Een uur later, om tien uur donderdagochtend, komt Conny Spencer terug op de intensive-carezaal. Ze is redelijk stabiel tot het begin van de middag. Dan schiet haar bloeddruk omhoog om twee uur later weer te dalen. ,,Dat is een slecht teken'', zegt de zaalarts.Hij bedoelt: Conny Spencer kan hersendood zijn. Maar artsen moeten 24 uur wachten om dat vast te stellen, omdat ze vlak voor de operatie medicijnen heeft gehad. Die narcosemiddelen kunnen het beeld vertekenen.

Vrijdag 08.30 uur

Caroline van Asten is transplantatiecoördinator voor alle ziekenhuizen in Rotterdam, Leiden en omgeving. Een transplantatiecoördinator beoordeelt samen met de behandelend artsen of een patiënt in aanmerking komt voor orgaandonatie. Ze houdt de familie van de donor op de hoogte, regelt de uitname, het vervoer en de transplantie van de organen.

Op deze vrijdagochtend, bijna 24 uur na de tweede operatie, belt de zaalarts van de intensive-care afdeling neurologie haar op. Een jonge vrouw op de afdeling zou hersendood kunnen zijn en dan zou ze in aanmerking kunnen komen voor orgaandonatie. ,,Het EEG is iso-elektrisch, er is geen hersenactiviteit'', zegt de zaalarts. Of Van Asten alvast naar het ziekenhuis wil komen om de familie, de artsen en de verpleegkundigen te ondersteunen en om de nabestaanden te vertellen wat een orgaandonatieprocedure inhoudt. Van Asten pakt haar tas en gaat op weg.

In het ziekenhuis bestelt Van Asten alvast een foto van het hart en de longen. Ze verzamelt aanvullende gegevens van Conny Spencer en neemt bloed af. De buisjes gaan in twee enveloppen. Een legt Van Asten in de koelkast van de afdeling virologie, dat het bloed test op hiv en hepatitis. Voor de andere twee buisjes belt ze een taxi. Dat bloed gaat naar het academisch ziekenhuis in Leiden voor weefseltypering. Ze belt de beveiliging van het Leidse ziekenhuis om te zeggen dat het bloed onderweg is. Dat is het protocol. Ze vraagt de portier om haar te bellen als het bloed is opgehaald. Dat is voor de zekerheid. Het gaat nog wel eens mis.

Een verpleegkundige regelt intussen de zuurstoftoediening via Conny's beademingsapparaat, de hoeveelheid vocht in haar lichaam, haar temperatuur. De familie zit bij haar, in gedachten. De verpleegkundige verontschuldigt zich: ,,Het kan heel vervelend overkomen dat wij hier alsmaar lopen te sleutelen.''

Vrijdag 13.12 uur

Het is zover. De conditie van Conny Spencer is even na enen goed genoeg voor een apneutest. Met die test en een hersenfilmpje stelt een arts officieel vast of iemand hersendood is. Beiden moeten activiteit van de hersenen uitsluiten. Als je Conny Spencer ziet, zou je niet zeggen dat ze dood is. Haar borstkas gaat op en neer door de beademing, het hart klopt en ze heeft roze wangen. Naast haar ligt een man die die nacht door een ongeval hersenletsel kreeg. Beiden hebben een spierwit verband om het hoofd, beiden ademen kunstmatig. De monitors geven dezelfde hartslag aan, dezelfde bloeddruk. Hij leeft, zij niet.

De hersenfilm, het EEG, laat zien dat de hersenen van Conny Spencer het echt niet meer doen. En door haar vervolgens tien minuten niet meer kunstmatig te beademen kan worden bepaald of ook het deel van de hersenstam dat de longen prikkelt tot ademhalen, is uitgevallen. Pas dan is ze hersendood én officieel dood. Als ze wel spontaan zelf zou gaan ademen, moet de donatieprocedure worden afgebroken. Dat gebeurt wel eens. ,,In dat geval kunnen we later altijd nog overgaan op de non-heart-beatingprocedure'', zegt Van Asten. ,,Daar hebben we steeds meer ervaring mee.'' Uitname van organen vindt dan plaats na de hartdood, in plaats van na de hersendood.

Een intensivist (IC-arts) komt bij het bed staan. Hij heeft Conny Spencer niet eerder gezien en zal haar ook niet meer zien, maar is verplicht om samen met de familie te wachten tot ze niet meer ademt. Dan zijn tien minuten heel lang. ,,Als u haar buik ziet bewegen, dan komt dat door haar hartslag'', zegt de intensivist. Omstandig steekt hij zijn handen dwars in de lucht, op borsthoogte. Hij vertelt over bloedgaswaarden, over de stapeling van koolstofdioxide in de longen. Hans Sevenstern hoort het verhaal gelaten aan. Uit beleefdheid stelt hij een vraag. Uit beleefdheid antwoordt de arts. Om 13.22 uur zegt de intensivist: ,,Dan zal ik u nu maar een hand geven. Sterkte ermee.'' Dan gaat hij weg.

Een uur later zitten negen familieleden in een kamer die bedoeld is voor dit soort gesprekken. Al hun aandacht richten ze nu op de transplantatiecoördinator.

Van Asten : ,,Gecondoleerd allemaal. Het is nu officieel.''

Sevenstern: ,,Het is wat we al dachten dus.''

Van Asten : ,,Ja. Ze ziet er niet dood uit. Dat is het verwarrende.''

Hij knikt traag. Ze spreken af dat hij straks naar huis gaat. Dat hij terugkomt voordat Conny Spencer naar de operatiekamer gaat. Dat hij gebeld wordt als de operatie is afgelopen. En dat hij dan nog eens langskomt om afscheid van zijn partner te nemen. Dan ziet ze er echt dood uit. De IC-verpleegkundige had hem dat aangeraden om het verlies beter te kunnen verwerken. Eigenlijk had hij zo maar naar huis willen gaan.

Vier maanden later

Toen die arts die apneutest deed, dacht ik alleen maar: laat haar alsjeblieft niet gaan ademen'', zegt Hans Sevenstern een paar maanden later. In zijn flat praat hij rustig over het overlijden van zijn vriendin en hoe hij de orgaandonatieprocedure heeft ervaren. Sevenstern werkt toevallig in het Erasmus MC, hij is er hoofd van de Bedrijfshulpverlening.

Tijdens een grote voorlichtingscampagne zo'n vijf jaar geleden spraken Conny Spencer en Hans Sevenstern op de bank voor de televisie over orgaandonatie. Ze wilden allebei gecremeerd worden. En ze zeiden tegen elkaar, herinnert Hans Sevenstern zich: ,,Als we dan toch opgestookt worden, kunnen gezonde organen beter gebruikt worden.'' Allebei tekenden ze een donorcodicil en stopten dat in hun portemonnee.

Hans Sevenstern heeft zijn collega's in het ziekenhuis en bij de vrijwillige brandweer aangeraden in ieder geval thuis over orgaandonatie te praten. Hij zegt dat het zwaarder was dan hij dacht. ,,Ik dacht altijd dat doneren betekende: je neemt afscheid van iemand en dan gaat ze weg. Maar ik heb ruim twaalf uur moeten wachten voordat ik afscheid van Conny kon nemen zoals ze was, zonder alle slangen, infusen en machines.''

Sevenstern had de zaalarts van de intensive care-afdeling direct gezegd dat als er iets verkeerd mocht gaan, hij graag zou willen dat er ,,iets goeds'' met de organen van zijn vriendin zou gebeuren. Maar toen hij in het ziekenhuis hoorde dat Conny door uitname van de oogbollen en het plaatsen van prothesen een blauw gezicht zou krijgen, voorkwam hij dat ook de hoornvliezen voor transplantatie beschikbaar zouden zijn. ,, Dat wilde ik niet. Mensen moesten nog gewoon afscheid van Conny kunnen nemen. Ze hadden me dat tijdens de voorlichting over orgaandonatie moeten vertellen.''

Een poppenkast, noemt Sevenstern de procedure waarin hij verzeild raakte. ,,Het was heel onwezenlijk, bijna fabrieksachtig. Af en toe kwam er een verpleegkundige aan het bed om infuuszakken te verwisselen en andere routine-handelingen te verrichten. Intussen had ik de neiging alleen naar haar bloeddruk en hartslag te kijken, terwijl dat Conny niet was. Dat was de machine. Vanaf het moment dat ze in elkaar stortte hebben we geen knipoog meer kunnen wisselen. Zolang ze nog aan de machine lag, bleef ik daarop hopen. Niemand heeft me op welk moment dan ook die vrijdag gezegd: uw partner is overleden. Pas om twee uur 's nachts kon ik afscheid nemen van Conny. Achteraf kun je alle zorgvuldigheid van de artsen heel goed begrijpen, maar op dat moment zelf niet.''

Vrijdag 13.35 uur

,,Het circus is begonnen'', zegt transplantatiecoördinator Van Asten en een circus is het. Vanaf het moment dat de dood is vastgesteld (`13.22 uur, doodsoorzaak SAB [subarachnoïdale bloeding]') jongleert Van Asten met telefoon, mobiel en pieper om te zorgen dat iedereen die avond tussen acht en negen in de operatiekamer is. Dat duurt uren.

Officieel moet er minimaal zes uur zitten tussen overlijden en opereren. Dat is een eis van Eurotransplant, de organisatie die de verdeling regelt van alle organen in Nederland, België, Oostenrijk, Duitsland, Luxemburg en Slovenië. Eurotransplant wil voldoende tijd hebben om de organen die worden aangeboden een nieuwe bestemming te geven.

Van Asten bestelt bloed voor de uitnameoperatie. Het ijzergehalte van de donor moet op peil blijven. Voor de derde keer belt ze de dienstdoende chirurg thuis. Nu neemt hij op. Ze geeft de eerste informatie aan hem door: 43 jaar, hersenbloeding, ,,mevrouw is daaraan twee keer geopereerd. Geen voorgeschiedenis, zo stabiel als een huis''. Ze belooft hem te bellen als ze weet hoe laat de operatie kan beginnen. Ze belt degene die volgens het rooster de chirurg zal assisteren, maar het telefoonnummer klopt niet.

Thoraxchirurg Lex Maat belt zelf. Van Asten kwam hem vanochtend toevallig tegen bij de ingang, op de fiets. Hij weet van de donatieprocedure en vraagt of zij al weet of het hart zal worden toegekend aan een Rotterdamse patiënt. ,,Een donatieprocedure zoemt altijd door het huis'', zegt Van Asten. ,,Dan belt de OK – `waar blijven jullie nou?' – terwijl wij ze nog helemaal niet op de hoogte hebben gesteld. Iedereen is erg betrokken.''

Om kwart over drie meet ze mevrouw op. Dat is van belang omdat een hart van een vrouw van twee meter niet past in een vrouw van 1 meter 60. Dan stuurt ze alle medische gegevens per fax door aan Eurotransplant. Een dienstdoende arts staat toevallig naast het faxapparaat op de tiende, op de afdeling heelkunde. Hij biedt aan de transplantatiechirurg vanavond te assisteren. ,,Ik heb nu toch niets te doen'', zegt hij. ,,Dat is goed'', zegt Van Asten. Dat laat ze de anesthesist en de operatiekamerassistent weten. Rond zeven of acht uur verwacht ze iedereen op de OK te hebben.

Vrijdag 15.30

Op het hoofdkantoor van Eurotransplant in Leiden zitten die vrijdagmiddag twee medewerkers bij de telefoon in een glazen zaal. Op de terminals zien ze de namen en nummers van overledenen en ontvangende patiënten. Zodra Van Asten alle medische gegevens heeft doorgefaxt, gaat een medewerker aan de slag. Hij voert de gegevens van Conny Spencer in de computer in, daarna print de computer zelf per orgaan een lijst uit met kandidaten voor dat orgaan.De meest geschikte kandidaten staan dan al bovenaan: Voor het hart is het het belangrijkst dat de bloedgroep en de lengte overeenkomen en of er medische noodzaak bestaat.

Voor een hart mogen lichaamslengtes zo'n tien procent verschillen. Daarna kijken de medewerkers naar de leeftijdscategorie – kinderen en volwassenen kunnen niet zonder meer organen van elkaar overnemen. Het hart van Conny Spencer kan wel naar een man gaan. ,,Gendermatching speelt geen rol'', zegt medisch directeur Guido Persijn van Eurotransplant. ,,De kans op afstoting is bij ongelijk geslacht iets groter, maar bij deze schaarste weegt dat niet op tegen het lange wachten.'' Transplantatiecardiologe Aggie Balk uit Rotterdam zegt het zo: ,,We zijn bij het accepteren van donororganen geleidelijk iets minder kritisch geworden dan tien, vijftien jaar geleden, omdat anders patiënten op de wachtlijst overlijden terwijl dat kan worden voorkomen.''

Een voorbeeld. In de jaren tachtig mocht een hartdonor hooguit 35 jaar oud zijn en was hij gemiddeld 24 jaar. Maar toen nam het aantal verkeersongelukken in Nederland drastisch af en werden hartdonoren onder 35 jaar schaars. De Rotterdamse transplantatiecardiologe: ,,Nu accepteren we hartdonoren tot 55 à 60 jaar als na onderzoek blijkt dat het hart goed is, en is de gemiddelde leeftijd 35 jaar. Per individueel geval wordt een inschatting gemaakt of het donorhart goed zal functioneren in de ontvanger.'' De Rotterdamse thoraxchirurg Lex Maat: ,,Er zijn artsen die veel risico's nemen, die een slecht hart accepteren en dan bijvoorbeeld meteen een bypass-operatie uitvoeren. Die zeggen: we hebben zo weinig donoren en zonder zo'n hart gaat iemand zeker dood.''

Als de lijst van ontvangende patiënten is samengesteld, belt Eurotransplant de transplantatiecoördinator in het ziekenhuis waar `ontvanger-nummer-één' wordt behandeld. Deze coördinator belt de dienstdoende transplantatiearts. Die arts heeft dan een half uur de tijd om te bedenken of hij het orgaan accepteert. Soms is de patiënt in een te slechte conditie om te opereren. Na een half uur belt Eurotransplant de transplantatiecoördinator in de regio van `ontvanger-nummer-twee'. Zodra een arts het orgaan accepteert, voert Eurotransplant de gegevens van de patiënt in op de computer. Later vraagt een medewerker telefonisch na of de transplantatie is doorgegaan.

Vrijdag 15.00 uur

In de kantoorruimte achter de Rotterdamse IC-afdeling neurologie drinkt Van Asten koffie met een verpleegkundige. ,,Doneert ze ook weefsels?'', vraagt de verpleegkundige.

,,Nee, hij vond het zo wel genoeg. Dat vind ik ook. Dan denk ik: dat mogen anderen dan doen.''

,,Hij is zo pro-donatie, dat is bijzonder. Dat heb ik nog niet meegemaakt. Als het niet lukt, denk ik dat hij zich daar misschien schuldig over voelt'', zegt de verpleegkundige.

De verpleegkundigen en artsen op de intensive care voor neurologiepatiënten hebben ervaring met orgaandonaties – er waren vorig jaar zeventien procedures. Vrijwel alle donoren in het academisch ziekenhuis worden op deze afdeling geworven, omdat de meeste donoren in Nederland nog altijd hersendode donoren zijn. ,,Op de EHBO-afdeling hebben ze zelden donoren. Óf ze worden direct doorgestuurd naar de intensive care, of ze denken er daar gewoon niet aan'', zegt de IC-verpleegkundige.

De taak van de verpleegkundigen is nu de organen van Conny Spencer in een zo goed mogelijke conditie te houden tot ze die avond getransplanteerd kunnen worden. In totaal nemen de verpleegkundigen 24 buisjes bloed af – voor het meten van de nierfunctie, leverfunctie, bloedstolling en bloedgaswaarden. Ze krijgt veel vocht toegediend om de bloeddruk op peil te houden. ,,Ze plast alles weer uit'', waarschuwt de verpleegkundige. Ze dient medicijnen toe om het plassen tegen te gaan, en plasmavervangers om oedeem te voorkomen. Van Asten: ,,Dat moet omdat ze anders zou opzwellen.''

De dienstdoend cardioloog komt de conditie van het hart beoordelen. Hij luistert naar het hart, maakt een echo en bekijkt hartfoto en hartfilmpje op afwijkingen. ,,Het is een volstrekt normaal hart'', zegt de cardioloog. De longarts is strenger. ,,Mevrouw heeft tien jaar lang gemiddeld een pakje per dag gerookt. Het slijm dat er zit is taai, dat krijgen we niet zomaar weg. We mogen niet spoelen, wel wegzuigen.'' Toch worden ook de longen aangeboden voor transplantatie. Slijmvorming bij roken is daarvoor geen contra-indicatie, dat staat in de protocollen. Voor elk orgaan is bepaald bij welke aandoeningen en afwijkingen niet gedoneerd mag worden. De alvleesklier, nieren en lever worden op papier goedgekeurd, op basis van de bloeduitslagen. ,,Je hoopt altijd dat alles meegaat'', zegt Van Asten.

Om half vier trekt de IC-verpleegkundige de gordijnen open. ,,Ik denk dat ze instabiel gaat worden'', zegt hij. ,,Haar hartslag gaat omhoog, haar bloeddruk stijgt.'' Meestal, zegt Van Asten, moeten ze er alles aan doen om bloeddruk en hartritme van een hersendode te verhogen. Maar bij Conny Spencer moeten ze er alles aan doen om het hart wat minder fanatiek te laten kloppen. Ze krijgt 3,5 liter vocht, ze wordt beademd, ze krijgt medicatie om de bloeddruk te doen dalen, ze krijgt een beetje warmte toegediend.

Een half uur nadat transplantatiecoördinator Caroline van Asten Eurotransplant heeft laten weten dat ze alle organen van Conny Spencer aan kan bieden, belt Eurotransplant terug. Conny Spencer heeft een donornummer gekregen. En sommige van haar organen hebben op papier al een bestemming. De organen die `terugkomen' naar ziekenhuizen in de regio van Caroline van Asten moet zij ook weer begeleiden. ,,Alle organen komen terug'', zegt ze ongerust. Ze krijgt namen door van patiënten die in aanmerking komen voor de verschillende organen. Daaronder ook patiënten die in aanmerking komen voor de combinatie van nier en alvleesklier. Ze belt de transplantatie-arts in dat ziekenhuis: ,,1 meter 65, 70 kilo. Een aanbod van nier/pancreas, O-positief, blanco voorgeschiedenis, behalve migraine. Een wisselende bloeddruk, temperatuur 36 graden.'' Dan leest ze de rest van de informatie op het formulier voor waarop alle informatie over de donor staat. Om half negen wil ze écht met de donoroperatie beginnen, zegt Van Asten nog, voor ze ophangt. ,,Ze wordt een beetje instabiel.''

De transplantatiecoördinator belt daarna de OK, ze `staan te trappelen'. Van Asten zegt dat de procedure wat minder voorspoedig gaat dan ze had gehoopt: ,,Soms denk je: jongens kom nou toch.''

Maar dan belt een transplantatiearts terug. Hij vindt de nier/pancreas geschikt voor een van zijn patiënten. Opnieuw stuurt Van Asten bloed naar Leiden om kruisproeven te doen voor weefseltypering. Dat moet, om zeker te weten dat het lichaam van degene die het orgaan ontvangt het niet af zal stoten.

Ze belt het taxibedrijf: ,,Ja, alweer ja.''

Vrijdag 16.00 uur

Cardiologe Aggie Balk wordt in het ziekenhuis gebeld door Caroline van Asten. Er is een hart. Eerst zou het hart naar Utrecht gaan, maar het hart-longteam in Utrecht moet de longen al transplanteren en er zijn onvoldoende teams om én een hart- én een longtransplantatie te kunnen uitvoeren. Meer artsen hiervoor inzetten is onmogelijk omdat de chirurgen dan hun ervaring niet op peil kunnen houden. Het afgelopen jaar werden landelijk maar veertig van deze transplantaties uitgevoerd.

Balk belt met de Rotterdamse thoraxchirurg Lex Maat. Ja, op basis van de medische gegevens willen ze het hart graag hebben, dus roepen ze ontvanger-nummer-één op. Omdat vooraf getest moet worden of dit specifieke donorhart wel bij de patiënt past, wordt ook een reservepatiënt opgeroepen. Ze krijgen te horen dat de kans bestaat dat een van de twee een nieuw hart krijgt, maar ze worden tegelijk geïnformeerd over wat er tot de transplantatie nog allemaal mis kan gaan. De medische testen, de kruisproeven moeten goed zijn. Bovendien kan het altijd gebeuren dat de conditie van de donor in de tussentijd verslechtert.

Cardiologe Balk beoordeelt de patiënten na aankomst in het ziekenhuis vooral op afwijkingen die een transplantatie op dat moment in de weg zouden kunnen staan. Ze luistert naar de harten, maakt een echocardiogram, en kijkt of er geen infecties zijn. Ze controleert bloedgroep, lengte, gewicht, mogelijke uitzaaiïngen, hepatitis, hiv. De kruisproef voor de patiënt met de antistoffen wordt ingezet, wat tussen drie uur en vier uur duurt. ,,Eigenlijk mag je geen twee patiënten tegelijk oproepen'', zegt Balk, ,,maar je weet altijd pas op het allerlaatste moment of een patiënt in aanmerking komt en een hart zou dan verloren kunnen gaan.''

Even voor achten blijkt de kruisproef van de eerste patiënt positief. Dat betekent dat het hart van Conny Spencer ongeschikt is voor haar, want de kans is groot dat het lichaam het orgaan zal afstoten. De patiënt moet terug naar huis, de ander heeft meer geluk.

Transplantatiecoördinator Van Asten belt Hans Sevenstern: ,,Uw vrouw wordt om acht uur opgehaald. Als u hier om half acht bent, hebt u alle tijd en ruimte. Goed. Dag.''

Om half zeven belt Van Asten opnieuw naar cardiologe Balk. De hartslag van de donor is omhoog geschoten, de bloeddruk ook. ,,Ze ligt werkelijk te bonken in bed. Ze ligt ook onder een warmtedeken, heb jij nog een idee wat ik kan doen?'' Balk is, vertelt Van Asten, niet onder de indruk. ,,Ze zegt: moet ik me nu ook al met de donorkant bemoeien?'' De transplantatiecoördinator geeft Conny Spencer bètablokkers. De warmtedeken wordt opgeborgen.

Niet lang daarna, Hans Sevenstern is net weg, komen de anesthesist en haar assistent Conny Spencer van de IC-zaal halen. Slangetjes en stekkers worden losgekoppeld, buisjes bloed worden op het bed gelegd en ze wordt weggereden. Met ieder orgaan moet een setje bloed mee, buisjes met groene, gele, paarse dop. En een formulier met alle relevante informatie. Met ieder orgaan moet ook een stukje milt mee. Zodra een ontvanger niet goed reageert op het orgaan, kan de arts op basis van de milt bepalen of het toch niet aan de donor lag.

Vrijdag, 20.45 uur

In operatiekamer 16 staan zeven mensen om Conny Spencer heen. De transplantatiechirurg en zijn assistent. Thoraxchirurg Lex Maat, voor het hart, en operatieassistenten. Later arriveren de longartsen. Ze wassen hun handen, halen de longen op. De overige organen worden met een speciale taxi meegestuurd waarmee Eurotransplant samenwerkt en die licht- en geluidssignalen mogen voeren.

De hartchirurg en de longarts willen altijd zelf het orgaan zien voor ze gaan transplanteren. Soms is er competitie tussen de artsen, zegt thoraxchirurg Maat. Dan wil de ene arts de verbindende bloedvaten van een orgaan net iets verder afsnijden en komt hij in conflict met een andere arts die hetzelfde stukje bloedvat wil hebben. Of er is een hartchirurg die graag naar het hart wil kijken terwijl een buikchirurg niet wil dat de borst opengaat. Nu is er geen sprake van competitie. Nu kent hij iedereen.

De transplantatiechirurg zaagt de borstkas open en stopt er gazen in om bloeding tegen te gaan. Dan gaat het borstvlies open. Klemmen houden de borstkas tegen. Er volgt een centimeters dikke laag rooddoorbloed weefsel en daarna komt na een tijdje het hart tevoorschijn. Het danst, van rechts naar links in het lichaam.

,,Nog geen rare dingen tegengekomen?'', vraagt de thoraxchirurg.

,,Nog niet. Ziet er prima uit'', zegt de transplantatiechirurg.

,,Het is een mooi hart. Zeker niet klein'', zegt de thoraxchirurg.

Om het bed staan metalen bakken met lappen wit gaas, doordrenkt met bloed. Om kwart over tien zit niets boven en onder het middenrif nog op zijn plaats.

De donor krijgt een injectie in het hart, om de vaten zo goed mogelijk open te laten gaan, voor de doorbloeding. De aorta wordt dan afgeklemd.

,,Er is geen bloeddruk meer'', zegt een assistent.

,,Dat klopt'', zegt de transplantatiechirurg. Het hart zwemt in het bloed. Er gaat koude vloeistof met een zoutoplossing in de borstholte om het hart stil te leggen.

Dan komt het erop aan.

De aorta wordt doorgeknipt en in één zwaai belandt het hart in een metalen bak met ijs. Het hart moet gekoeld blijven. De assistent van Maat verpakt het hart in een plastic zak met doorzichtige vloeistof, in nog een plastic zak met ijs. Daarna volgt nog een zak, meer ijs en vloeistof en dan gaat het hele pakket in een blauwe plastic koelcontainer. Dat staat op een karretje. Een stukje milt gaat mee, in een flesje. Vlug, vlug, gaat het hart dan binnen enkele minuten weg, de operatiekamer uit. Langer dan vier uur moet een hart niet zonder bloed zijn.

De ontvanger ligt op een operatietafel in het thoraxcentrum, aan de andere kant van het ziekenhuis. In deze operatiekamer is het heel erg stil. Een grote roze holte. Daar gaat het donorhart in. Een donorhart heeft genoeg ruimte om te worden ingebracht en aangehecht omdat een ziek hart altijd groter is. De lichaamsslagader is afgeklemd, zodat er geen bloed meer naar het hart stroomt.

,,Laat maar vallen'', zegt thoraxchirurg Maat. Het nieuwe hart wordt bij de linkerboezem aangehecht. ,,De eerste twee centimeters van het inhechten zijn altijd het moeilijkst'', zegt de thoraxchirurg. Van achter naar voren wordt het hele hart vastgenaaid aan de aders van de vrouw die het hart ontvangt. Een slangetje in het nieuwe hart zorgt ervoor dat het niet vol bloed kan lopen en onder spanning komt te staan. Koude vloeistof wordt door het hart gepompt om de stofwisseling op een laag pitje te houden.

Thoraxchirurg Maat maakt een sneetje in de rechterboezem. ,,Ik knip het hier en daar een beetje bij om het passend te maken.'' De longslagader wordt aangehecht, dan de lichaamsslagader. De rechterboezem wordt half gesloten. Pas als het bloed er weer doorheen stroomt, maakt de thoraxchirurg hem dicht.

De assistent vraagt of ze het bloed mogen opwarmen. Dat mag. ,,We gaan opwarmen'', zegt de thoraxchirurg tegen de anesthesist die binnen komt lopen.

Klemperiode bedroeg een uur en zeven minuten. De klem gaat van de aorta af zodat het bloed weer naar het hart kan stromen.

00.30 uur: ,,Kijk, het begint alweer te kloppen.''

00.37 uur: ,,Hij klopt, maar we moeten niet te vroeg juichen.'' Het hoogste punt, de rechterboezem, wordt nu gesloten. ,,Als het in deze eerste fase misgaat, is dat omdat dit kleinere, gezonde hart niet gewend is bloed te pompen tegen een hoge druk in de longen in. Er bestaat zoiets als hyperacute afstoting, maar dat heb ik nog nooit meegemaakt.''

De temperatuur, de zuurstof die wordt aangeboden, de afvalstoffen die worden afgevoerd, die brengen het hart weer op gang, zegt Lex Maat. Maar wat nu de doorslaggevende factor is? ,,Dat weet ik niet. Het blijft afwachten. Ik noem het een wonder, iedere keer.''

00.45 uur: ,,Het bloed is nog waterdun en stroomt daardoor nog uit alle hoeken en gaten.''

1.30 uur: ,,Nu komt het vervelendste deel: wachten tot het bloeden stopt.''

1.37 uur: ,,We gaan opwarmen.'' De patiënt wordt opgewarmd tot 36 graden. Als thoraxchirurg Maat de hartlongmachine stopt, moet het hart zelf het bloed rondpompen. ,,Dat is het spannendste gedeelte van de hele ingreep'', zegt Maat. Zodra het hart stopt met bloeden, wordt eerst de borstkas gesloten en daarna de huid. De operatie heeft dan vier uur geduurd. De anesthesioloog laat op het scherm het verschil zien: een echo van het oude zieke hart, naast een echo van het nieuwe hart. Voor een leek zou het hetzelfde filmpje kunnen zijn, waarbij de eerste in slowmotion wordt afgespeeld.

Zaterdag, 02.30 uur

Nadat het hart- en het longteam uit operatiekamer 16 zijn vertrokken, de lever, de alvleesklier en de nieren zijn opgehaald, wordt de buik van de donor gevuld met doeken gaas. De borstkas wordt nauwkeurig onderhuids gehecht met doorzichtig hechtdraad dat oplost. Op een aparte kamer doet de IC-verpleegkundige Conny Spencer de kleren aan die ze aanhad op de dag dat ze overleed. Ze bindt een schoon hoofdverband om, zet haar nieuwe bril op en doet haar kunstgebit in. Zo neemt Hans Sevenstern afscheid van zijn partner.

Zaterdag, 02.30 uur

Het hart van Conny Spencer doet het uitstekend in het lichaam van een 53-jarige vrouw. Hoe ze heet mag niet in de krant. De protocollen schrijven voor dat de ontvanger van een orgaan en de nabestaanden van de donor elkaar niet mogen kennen en geen contact hebben. Het zou voor beide partijen bezwaarlijk kunnen zijn, bijvoorbeeld wanneer de een wel contact wil en de ander niet. Of wanneer de ontvanger van een orgaan de familie zou verwijten dat het niet goed functioneert. In omringende landen hebben donor en ontvanger soms wel onderling contact. In Duitsland en Oostenrijk, maar ook in de Verenigde Staten. Er bestaan Amerikaanse verenigingen die bijeenkomsten organiseren waar donor en ontvanger elkaar kunnen ontmoeten.

De ontvangende vrouw ligt vijf dagen op de intensive care, twee dagen langer dan gebruikelijk. De dagen dat ze bij kennis is, is ze in de war. Veel patiënten zien en horen na een harttransplantatie dingen die er niet zijn. Dan willen ze bijvoorbeeld alle slangen van hun lichaam lostrekken. Na 27 dagen mag ze naar huis, ze heeft veel tijd nodig gehad om te herstellen. De vrouw was erg vermagerd. Met een nieuw hart is ze er dikker, gezonder uit gaan zien. Ze heeft een gezonde kleur, haar ogen glimmen weer.

Hoe het haar de komende tijd zal vergaan is niet te zeggen. Van alle mensen die een donorhart ontvangen leeft na tien jaar nog de helft. Na 18 jaar is dat nog maar eenvijfde. Ze overlijden door afstoting of door de bijwerkingen van de medicijnen tegen afstoting die ze moeten gebruiken. Iemand met een donorhart heeft bijvoorbeeld meer kans op infecties, kanker en nierfalen. De vrouw zal de komende jaren iedere dag pillen moeten slikken, 12 tot 25 op een dag. Dat zijn medicijnen om afstoting van het hart te voorkomen, pillen tegen een hoge bloeddruk, bloedplaatremmers en medicijnen om de maag te beschermen tegen al die andere medicijnen.

Zes weken later

De transplantatiecoördinator gaat op bezoek bij Hans Sevenstern. Ze praten na over de procedure, later krijgt hij een brief van haar. Daarin staat dat vijf mensen hebben geprofiteerd van de organen van zijn partner. Het gaat ze goed, maar Sevenstern is gewaarschuwd dat er altijd een kans is op terugval. De longen zijn geplaatst bij een meisje van zestien, staat in die brief, de lever bij een vrouw van 49. Een man van 44 kreeg de rechternier, waar hij al twee jaar op wachtte. De linkernier is terechtgekomen bij een vrouw van middelbare leeftijd die acht jaar op de wachtlijst stond.

,,Het hart is bij een vrouw van 53 jaar ingebracht. Ze is thuis en maakt het goed'', dat leest hij voor. Alleen de alvleesklier is afgekeurd, dat had met de aderen te maken.

Zo is het goed, zegt Hans Sevenstern. Hij is blij dat hij nu weet dat de organen goed gebruikt zijn. ,,Ondanks dat de houdbaarheid van de organen niet van eeuwige duur is, denk ik toch dat ze de kwaliteit van het leven van die mensen verhogen.'' Voor hem is het een bevestiging dat Conny gezond geleefd heeft en dat het goed is dat ze gezond geleefd heeft. Hij wil niet weten of en wanneer het minder goed zou gaan met deze mensen. ,,Ik besef goed dat dat meisje geen tweede Conny is. En stel dat het volgende week fout gaat, dan zou ik kunnen denken: waar ben ik aan begonnen.''

Zou hij het na deze ervaringen nog een keer doen?

Ja zeggen tegen donatie is één, antwoordt Hans Sevenstern, een donatieprocedure is iets anders. ,,Ik kan me voorstellen dat als mensen voor de tweede keer iemand in de familie zien overlijden, ze zeggen: dat was eens maar nooit meer. Maar zelf zou ik het weer doen. Ik heb een goed gevoel over de resultaten.''