Genetische variatie regelt airconditioning in de bijenkorf

Bijenkolonies met een grote genetische diversiteit regelen de temperatuur in het nest beter dan kolonies met een eenzijdige genetische samenstelling. De juiste temperatuur is van belang voor de ontwikkeling van het broedsel. Bijen met een verschillende genetische achtergrond blijken een verschillende interne thermostaat te hebben. In een gevarieerd nest, komt de temperatuur `democratisch' tot stand en kent minder fluctuaties (Science online, 24 juni).

Honingbijvolken moeten de temperatuur in het broednest tussen de 32 en 36°C zien te houden, opdat de larven in de raten zich normaal kunnen ontwikkelen. De optimale temperatuur voor de ontwikkeling van het nageslacht ligt op 35°C. Werksters regelen actief de temperatuur. Als het te warm is waaieren ze warme lucht uit het nest. Dreigt het te koud te worden, dan kruipen ze dicht bij elkaar, zodat zij met de warmte die vrijkomt bij de stofwisseling het broedsel verwarmen.

Australische onderzoekers onder leiding van Julia Jones van de University of Sydney maakten via kunstmatige inseminatie vier bijenvolken die slechts uit één genetische lijn bestaan (dus met één vader). Normaal zijn honingbijvolken genetisch divers en ontstaan ze uit een koningin die door zo'n tien tot dertig darren wordt bevrucht. In de bijenkasten met genetisch eenzijdige volken lag de temperatuur iets beneden het optimum (34,7°C), maar waren er bovendien grotere fluctuaties in temperatuur. De conclusie van de onderzoekers is dat het bezit van genetische verschillen in waaier- en warmhoudgedrag belangrijk zijn voor een nauwkeurige airconditioning in de bijenkorf.

Het hebben van veel vaders onder bijenvolken is waarschijnlijk ontstaan omdat koninginnen onvruchtbaar zijn als zij met een mannetje met dezelfde seksallel paren. Door met verschillende darren te paren, verkleint de koningin het risico zonder nageslacht te blijven. De precieze temperatuurregulatie is volgens de onderzoekers een bijkomend voordeel van meervaderkolonies.