De test

Spunk-columnist Renske de Greef (20) krijgt misschien een kind. De jongerencolumn van www.spunk.nl.

Met een lange nagel, vlijmscherp bij de gebrokkelde hoekjes, klauw ik de verpakking open. Verstrooid scan ik de bijsluiter. Het is nog lastig, met verschillende delen die je op elkaar moet klikken. Maar ik snap voor deze fase wat de bedoeling is. Pissen. Op dat zachte stof-achtige stukje. Ik rol mijn rokje omhoog en ga op de wc zitten. Voorzichtig hou ik het staafje tussen mijn benen. Het lukt niet. Ik blijf maar naar het staafje staren, wit, maagdelijk onschuldig. Straks ga ik erover heen plassen. Dan is het bezoedeld, smerig, verdorven. Niet alleen door de substantie, maar ook door hetgeen zij verbeeldt. Schuldige urine.

Met de grootst mogelijke concentratie plas ik over het staafje heen. Ik doe mijn best om te mikken, wat lastiger is dan je zou denken. Hoeveel zou genoeg zijn? Zou het te weinig zijn, of misschien te veel, dat ik het helemaal murw heb geplast? Ik was mijn handen en volg de andere aanwijzingen nauwgezet. Het lijkt wel een soort ritueel. Ik ben helemaal alleen in huis, voel me gespannen en ijzig, en mijn handelingen hebben een soort trage, mystieke zorgvuldigheid. Als ik klaar ben met de voorbereidingen, kijk ik mezelf aan in de badkamerspiegel. Daar zie ik iemand die over drie minuten weet of ze een kind gaat krijgen.

Ik ben aan het wachten. Ik ben heel bewust aan het wachten. Ik kijk hoe de tijd verstrijkt, hoe de wijzer loopt, ik luister naar het tikken. Wachten is met recht een van de grootste frustraties van de mensheid. Je moet wat doen, maar daarvoor moet je wachten en moet je dus niks doen. Het is uren maken met niets. De bezigheid is niet bezig zijn. Met mijn rug tegen de koude tegels glijd ik langzaam naar de grond. Daar ga ik zitten, met mijn hoofd tegen de muur geleund, met mijn blote voeten op het badkamermatje. Met mijn horloge in de hand en het staafje in de andere. Nog twee en een halve minuut.

Ineens voel ik me stom. Natuurlijk is het niet zo, ik stel me aan, sommige mensen proberen het jarenlang, met alle mogelijke standjes en manieren, en bij mij zou dan één foutje meteen raak zijn. Ik zit hier melodramatisch op een koude vloer tegels te tellen en denk zoals het iemand betaamt die is opgevoed met dramatische highschoolseries. Eén keer de pil uitgekotst, zwanger. Eén geknapt condoom, zwanger. Ik zucht. Diep van binnen weet ik dat deze gedachten onzin zijn. Een harde stem in mijn hoofd, die andere overschreeuwt, die aanspraak maakt op mijn gevoel van `ik niet'. Ik ben onschendbaar. Maar iedereen denkt dat hij onsterfelijk is. Nog twee minuten.

Stel dat het wel zo is. Een baby. Nee, geen baby. Een hoopje cellen, een klompje genen, een soort gebruiksaanwijzing voor een bouwpakket. Welke instructies zouden er allemaal in die gebruiksaanwijzing staan? Grijze ogen en een opmerkelijk goed gevoel voor konijnentemmen? Of slanke vingers en een talent voor hacken? Al zou het wat logischer zijn als de bouwstukjes iets dichter bij mij lagen. Want het klompje cellen is voor de helft van mij. Hoe zou dat eruit zien? Ik denk even na, mijmerend over snelle voetjes, kleine Nike-jes, blonde krullen. Met kind ben je nooit meer alleen. En ze gaan praten, leuke dingen zeggen, zoals ik zelf vroeger: ,,Ik ben niet bang voor de grote boze wolf, maar ik denk er wel over na.'' En voorkeuren ontwikkelen, een bepaalde soort humor, talenten, karaktereigenschappen. Het wordt dan een mens. Een mens met de helft van mij erin. Nog een minuut.

Ik sta op en loop een rondje door de badkamer. Ik vermijd angstvallig het staafje, waar de figuurtjes als het Laatste Oordeel binnen afzienbare tijd te voorschijn zullen komen. Alsof Gods vinger ze vanuit het Hemelse Gerecht er zelf even op komt tekenen. Ik kijk mezelf weer aan in de spiegel. Ik zie een gezicht, het mijne. Het is jong en het ziet er angstig en gespannen uit. Ik kijk naar mezelf. En ik zie iemand waar vele woorden – zelfstandig of bijvoeglijk – op van toepassing zijn. Maar `moeder' staat daar niet bij. Ik ben geen moeder. Hoe kan ik verantwoordelijk een kind opvoeden als ik niet eens de verantwoordelijkheid heb om ervoor te zorgen dat ik sowieso niet zwanger word? Van elke ongewenste, maar toch geaccepteerde zwangerschap is dat toch wel een contradictie. Ik wil geen kind. Ik wil geen ander leven. Later, nu nog niet. Ik kijk mezelf in de spiegel recht aan en besef dat alle redenen die ik een minuut geleden bedacht had om een kind te krijgen stuk voor stuk egoïstische, egocentrische redenen waren. Een kind als pronkstuk, als iets tegen eenzaamheid. Als ticket tot een stukje onsterfelijkheid. Als behoeding voor vergankelijkheid. Ik ben duidelijk nog niet klaar voor een kind. Ik heb de echte redenen nog niet gevonden. Tijd voorbij.

Ik kijk op het staafje. Een minnetje. Ik ga op de rand van het bad zitten, doe mijn ogen dicht en zucht eens diep. Een minnetje. Niet zwanger. Negatief. Min. Slecht dus eigenlijk. Ik voel me vreemd. Mijn opluchting wordt omlijst door een heel klein beetje spijt.