Zweet des aanschijns terug in EU

Maken vergrijzing en concurrentie een einde aan de gekoesterde Europese levensstijl?

Langer doorwerken, en makkelijker ontslag. Dat is in kort bestek de aanbeveling van minister Brinkhorst van Economische Zaken voor het bevorderen van de economische groei, die vandaag in de ministerraad wordt besproken.

Met het plan blijft het kabinet op de koers die het al maanden in aanvaring dreigt te brengen met de vakbeweging. Eerder deze week wees de achterban van FNV, CNV en De Unie een compromisvoorstel over de prepensioenregeling massaal af. Terwijl de zomer nat begon, beloofden werknemersorganisaties het kabinet alvast een hete herfst. Brinkhorsts `groeibrief' maakt de sfeer er niet beter op.

Waarom geeft hij dan toch dit signaal? Het bevorderen van economische groei is een van de speerpunten van het Nederlandse voorzitterschap van de Europese Unie te worden, dat op 1 juli aanvangt. En de voorzitter zal zelf het goede voorbeeld moeten geven. Brinkhorsts departement van Economische Zaken eist een hoofdrol op.

Op het spel staat de zogenoemde Lissabon-agenda, het plan dat de EU-landen in 2000 overeenkwamen om de Europese economie in 2010 de `meest dynamische' ter wereld te maken. In november wordt een tussenbalans opgemaakt, onder leiding van oud-premier Kok. De constatering zal zijn dat er nog niet veel vorderingen zijn gemaakt, en dat de komende vijf à zes jaar een versnelling van het plan noodzakelijk is. ,,De Lissabon-agenda is van de rails'', zei secretaris-generaal J. Oosterwijk van EZ deze week op een conferentie over de productiviteit in Europa. ,,Er wordt over-geanalyseerd, maar onder-geïmplementeerd.''

De Lissabon-agenda blijkt moeilijk te verkopen aan de Europese kiezer. Het bereiken van meer economische groei kan op twee manieren: beter werken (het verhogen van de productiviteit), en méér werken. Europeanen hebben een zeer hoog productiviteitsniveau. Anders dan vaak wordt gedacht ligt de productiviteit per gewerkt uur in Europa vaak hoger dan die in de VS. Nederland staat vijfde op de wereldranglijst, ver boven de VS.

Europeanen, Nederlanders voorop, werken daarentegen veel minder lang dan Amerikanen. De gemiddelde Nederlandse werknemer werkte in 2003 1.311 uur, een Duitser 1.441 uur. Een werknemer in de VS 1.865 uur. Omdat er minder lang gewerkt wordt, is de welvaart per hoofd van de bevolking in de EU toch beduidend lager.

De afweging tussen welvaart en vrije tijd wordt door Europeanen kennelijk anders gemaakt dan in de VS. Het plan voor het dynamiseren van de Europese economie kan daarom makkelijk worden gezien als aantasting van de Europese manier van leven. En dat wekt weerstand op. Maar kan Europa zich deze levensstijl in de toekomst nog wel permitteren?

De Amerikaanse econoom Martin Baily, verbonden aan het Institute for International Economics en McKinsey, denkt van niet. ,,De uitruil tussen werk en welvaart gaat niet langer op'', stelde hij deze week op een conferentie van Economische Zaken en in samenwerking met de Amerikaanse Conference Board. Mensen leven langer en de medische kosten nemen toe. Langer werken kan alleen daarom al noodzakelijk zijn. Maar de andere route naar meer welvaart – of het behoud daarvan – is volgens Baily misschien nog wel noodzakelijker: het verhogen van de productiviteit. Europa kan niet blijvend vertrouwen op het hoge niveau van nu.

Het meten van productiviteit, en de verandering daarvan, is zeer lastig. Zakenbank Goldman Sachs wist eerder dit jaar het gedachte verschil tussen hoge productiviteitsgroei in de VS en lage in Europa door statistische definitieverschillen zelfs zodanig af te breken dat er vrijwel geen verschil overbleef. Anderzijds vertekent ook de hoge werkloosheid in Europa. Werklozen zijn vaak ondergekwalificeerd. Als Europa er, volgens het Lissabon-plan, in slaagt jaarlijks 3 miljoen banen te creëren, drukt het betreden van de arbeidsmarkt door werklozen de productiviteitsgroei. Reden te meer, zegt Baily, om van de productiviteit een speerpunt te maken. Het scheppen van 3 miljoen banen is Europa overigens de afgelopen tien jaar alleen gelukt in het jaar 2000.

De oplossing van het productiviteitsvraagstuk is in theorie niet zo moeilijk. Het moet voor bedrijven makkelijker worden zichzelf voortdurend aan te passen, en dat vergt onder meer een soepeler ontslagbeleid. De Europese angst voor een economie van hiring and firing hoeft niet terecht te zijn, als werknemers zichzelf net als bedrijven blijven heruitvinden en blijven leren. Belangrijk is volgens Bailey ook dat de interne markt van de EU verder wordt geliberaliseerd. Het is geen toeval dat bij bedrijven die op een open markt opereren, zoals de telecomsector, de productiviteitsstijging groter is dan bij hun Amerikaanse tegenhangers.

Opmerkelijker in dit verband zijn de bevindingen van de hoogleraren Bart van Ark en Eric Bartelsman, van respectievelijk de Rijksuniversiteit Groningen, en de Vrije Universiteit in Amsterdam. Zij verklaren de hoge productiviteitsgroei in de VS uit het succes van een klein aantal sectoren: de detailhandel, groothandel en financiële diensten. Als Europa enkel al in deze sectoren even goed zou presteren als de VS, dan zou de totale Europese productiviteitsgroei hoger uitvallen dan in Amerika. Het geheim ligt volgens Van Ark en Bartelsman vooral in het vermogen om te `excelleren'. Het laten uitblinken van een relatief beperkt aantal bedrijven (en universiteiten) heeft, door navolging en uitstraling, het grootste effect op de gehele productiviteit.

De wil om te excelleren, en het toejuichen van uitblinkers als oplossing voor het productiviteitsvraagstuk: ook dat zou een verandering van de Europese, en vooral Nederlandse, manier van leven betekenen.