Wraak op de spaarvlam

Nu de DDR niet meer bestaat, kijken velen er met weemoed op terug. Die Trabantjes, ach, wat een koddige wagentjes waren dat. De Jonge Pioniers: wat zagen ze er in hun blauwe hemden schattig uit. En zelfs die spuuglelijke Plattenbau-flats hadden een zekere charme. Vinden de nostalgici met hun roze brillen. Onbekommerd schrijven Jana Hensel, Thomas Brussig en Jakob Hein over hun kinderjaren in de socialistische heilstaat.

Maar niet iedereen had er een gelukkige jeugd. Vooral oudere auteurs hebben een somber beeld van hun voormalige vaderland. Zo kwam DDR-coryfee Christa Wolf niet lang geleden met een soort dagboek waar het getob vanaf droop. En Christoph Hein, Jakobs vader, heeft nu een roman afgeleverd waarin de oude Heimat van alle romantiek wordt beroofd.

De ontluistering begint bij Hein al vroeg. En wel in de opbouwjaren vlak na de oorlog, de jaren die men doorgaans associeert met frisheid en optimisme. Daar merk je weinig van in Guldenberg, het fictieve stadje dat Hein in de Saksische provincie situeert. Omstreeks 1950 (jaartallen laat deze schrijver achterwege) is Guldenberg het onverkwikkelijke tafereel van iets dat officieel in de DDR niet bestond: vreemdelingenhaat grijpt om zich heen, geniepig en achterbaks, want naar buiten toe zijn de Guldenbergers hoogst fatsoenlijke burgers. De haat richt zich tegen de zogenaamde Heimatvertriebenen, Duitsers uit Silezië, nu Polen, die daar niet langer werden geduld. Christoph Hein vluchtte zelf als kind met zijn ouders van Silezië naar Saksen en ze strandden in het provinciestadje Bad Düben an der Mulde, een naam met dezelfde klanken als Guldenberg.

Hoewel Landnahme geen autobiografisch boek is moet Hein de armoe van de ontheemden persoonlijk hebben gekend. Zijn vader, een dominee, had in Bad Düben maar heel weinig werk en precies zo vergaat het vader Haber in de roman. Hij is timmerman, eenarmig maar bekwaam. De Guldenbergers mijden hem en zijn goedkope diensten. Ze gaan liever naar dure timmerlieden die zelf uit Guldenberg komen en dan nog verdragen sommigen Habers aanwezigheid niet. Zijn werkplaats brandt tot de grond toe af. Duidelijk kwade opzet, maar de autoriteiten willen niets van brandstichting weten.

Wraak

Bernhard, Habers zoon, leert al jong dat hij de autochonen niet kan vertrouwen. Op school sluit hij met niemand vriendschap. Trots weigert hij contact en alleen als men probeert hem te vernederen of te pesten bemoeit hij zich met de anderen: dan mept hij erop los. Bernhard Haber is een outsider met wie niet valt te spotten. Als het liefste dat hij bezit, zijn hond, koelbloedig wordt vergiftigd, weet hij zeker dat hij eens wraak op Guldenberg zal nemen. Zijn tijd komt tijdens de gedwongen collectivisering van de boeren. Bernhard doet fanatiek mee aan hun onteigening, kennelijk om anderen eens te laten voelen hoe het is om je land en je bezit te verliezen. Maar zijn stadsgenoten begrijpen hem niet. Zij denken dat hij een carrière-communist is geworden en keren zich nog meer van hem af.

Dit alles krijgen we te horen van vertellers die Bernhard Haber vaak óók niet begrijpen. Doorsnee volwassenen zijn het, aangepaste Guldenbergers met een matige intelligentie en een onderontwikkelde sensitiviteit. Vijf van die Spiessbürger laat Hein aan het woord: een ex-klasgenoot, een jeugdvriendinnetje, een compagnon bij illegale akkefietjes, een schoonzus en een zakenvriend. Het is geen onverdeeld genoegen om hun verhalen te lezen, want ze bedienen zich van smakeloze kant-en-klaar-formules en bedompte clichés. Maar die onappetijtelijke taal verraadt wel de state of mind van de gemeenschap die Haber tot zijn wandaden drijft. En tot zijn succes.

Want Bernhard wordt rijk. Eerst door mensen naar het Westen te smokkelen terwijl iedereen denkt dat hij zijn geld met iets legaals verdient. Daarna door een ultramoderne timmermanswerkplaats in Guldenberg te openen. Aan het eind van de roman, als de Muur al gevallen is, hoort de voormalige outsider bij de machtigste lobby van de stad: de lokale kegelclub. Inmiddels weet hij dat een van de clubleden zijn vader heeft vermoord. Maar Bernhard maakt geen stennis. Hij slikt zijn bitterheid in. En als zijn zoon op het carnavalsfeest een allochtoon vernedert wijst Haber hem amper terecht. De rebel heeft zich aangepast. Of lijkt dat maar zo en is zijn innesteling in het stadje zijn ultieme wraak?

Afgestompt

Gelukkig geeft Hein op zulke vragen geen antwoord. Waardeoordelen laat hij wijselijk achterwege. Maar de sfeer in zijn boek beklemt. Tussen de regels door ontwaar je de lafheid van de Guldenbergers, hun angstige inspanning om vooral niet op te vallen. Ze willen hun vingers niet branden aan de politiek. Ze houden zich overal buiten. En toch ondersteunen ze met hun zwijgen het regime. Waarbij Heins pathologie van de aanpassing niet alleen op de DDR van toepassing is. Zijn boeken vonden ook altijd gretig aftrek in het Westen. Der fremde Freund, Horns Ende en Der Tangospieler: het waren allemaal portretten van afgestompte mensen. Mensen die vervreemd waren van hun omgeving en van zichzelf. Die geen doel hadden om voor te leven. Die zich niet met anderen wilden inlaten uit angst om gekwetst te worden of teleurgesteld. Jazeker, zij waren door het regime beschadigd. Maar de westerse lezers herkenden in dat matte spaarvlambestaan en dat verkiezen van veiligheid boven compassie heel veel van zichzelf. Kennelijk gaat aanpassing ook hier ten koste van gevoel. Gevoel voor succes tonen (en de succesvollen zodra de kans zich voordoet een dolk in de rug stoten) kan voordelen hebben. Maar meeleven met mislukkelingen, haalt je omlaag.

Dergelijke mechanismen zorgen er volgens Hein ook voor dat we vluchtelingen op een afstand houden. De armoe die zij meebrengen roept verachting op. En dat misprijzen cultiveren we om niet zelf in het kamp van de mislukkelingen terecht te komen. De verachting groeit uit tot haat. De haat groeit uit tot moordlust. Het moorden zelf gaat ondergronds. Bovengronds houden we ons in. We zetten ons onverschillige masker op en bemoeien ons nergens mee. Maar de haat is wederzijds; de vernederde koestert zijn wonden. En op een dag slaat hij toe, ongemerkt daar hij zich als een brave burger heeft vermomd.

Achter de façade van rust en orde gaat een agressie schuil die autochtoon en allochtoon onverzoenlijk maakt. De titel Landnahme geeft iets van die agressie weer. Men vlucht omdat zijn land door anderen in bezit is genomen. Men strijkt ergens neer en neemt op zijn beurt land in bezit. Waarop de oud-ingezetenen de bezittingen van de nieuwkomers stiekem vernietigen. Het gebeurde in de DDR. Maar een deel van het verhaal had zich ook elders kunnen afspelen.

Christoph Hein: Landnahme. Suhrkamp, 357 blz. €24,90

    • Anneriek de Jong