Spaarvarkens met hamer en sikkel

Vijftien jaar na het bloedbad op het Plein van de Hemelse Vrede is avant-gardekunst in China een succesnummer op de internationale kunstmarkt. Observaties uit zone 798 in Peking.

De taxichauffeur die mijn Chinese collega Lin Hui en mij naar het Dashanzi kunstdistrict vervoert, staart zorgelijk in de verte. Want ook al zijn we ruim na de spits vertrokken, het verkeer in het centrum van Peking zit muurvast. De file stelt me in staat de eindeloze reeks billboards langs de weg te bestuderen. Waar de van woeste karakters voorziene muurkranten van de Rode Gardisten tijdens de Culturele Revolutie de bevolking zonder succes opriepen de productie te verhogen (onder Mao stierven 30 miljoen Chinezen de hongerdood), daar blijkt de huidige oproep tot verhoging van de consumptie niet aan dovemansoren te zijn gericht. De voorheen revolutionaire massa's haasten zich zwaar bepakt van winkel naar winkel, om slechts kortstondig te stoppen voor een culinaire verpozing in een van de vele McDonalds-filialen. De talrijke bedelaars op straat maken echter duidelijk dat de zegeningen van dit `communisme met een Chinees karakter' niet voor iedereen zijn weggelegd. De inkomensverschillen en de werkeloosheid zijn de afgelopen jaren even spectaculair gegroeid als de economie, zodat het consumptieparadijs voor een meerderheid van de bevolking vooralsnog een droom blijft. Daar kan het Mao-bidprentje dat onze taxichauffeur in zijn auto heeft hangen weinig aan veranderen.

Ik ben in Peking om enkele gastcolleges over digitale cultuur te geven aan de Renmin Universiteit, een van de meer dan tweehonderd universiteiten en hogescholen in de Chinese hoofdstad. Na afloop van mijn eerste college spreek ik met mijn gastheer Jin Huimin en zijn collega's over de ontwikkeling van de Chinese avant-garde. Lin Hui, die perfect Engels spreekt, biedt aan mij het Dashanzi kunstdistrict te laten zien, waar veel van de kunstenaars die de afgelopen jaren de internationale kunstmarkt veroverden hun atelier hebben.

De avant-garde heeft zich in China de afgelopen jaren al net zo onstuimig ontwikkeld als de economie. Het internationale succes is ongetwijfeld te danken aan de onbevangenheid waarmee de kunstenaars uiteenlopende elementen uit de geschiedenis combineren met Chinese tradities. Toch heeft de avant-garde in China niet echt wortel geschoten. Niet alleen ten gevolge van het gebrek aan persvrijheid, maar ook door het culturele conservatisme dat het land al zo'n vijfduizend jaar in zijn greep houdt. Dat dit ook voor de culturele elite geldt, blijkt als ik Hui thuis afhaal voor onze expeditie: de vijfkamerflat van Hui en haar man, ambtenaar bij het ministerie van Cultuur, bevat in tegenstelling tot hun moderne levensstijl alleen klassieke Chinese pentekeningen, aquarellen en kalligrafieën.

Na enig zoeken vindt onze chauffeur het kunstdistrict, surrealistisch gelegen in de deels ontmantelde militaire fabriekszone 798. Vanaf het midden van de jaren vijftig hebben de daar gevestigde bedrijven belangrijke bijdragen geleverd aan de ontwikkeling van nucleaire en optische technologieën voor het leger en de ruimtevaart. Ondanks het zonnige weer maakt het complex een vervallen indruk. Nadat er in de jaren negentig een kunstacademie was ondergebracht, vestigden zich er tientallen kunstenaars en werd het gebied een centrum voor de tweede golf avant-gardisten. In de gerenoveerde fabriekshallen bevinden zich nu talloze ateliers, internationale galeries, trendy cafés en boekhandels. Met de zorgvuldig geconserveerde slogans uit de Culturele Revolutie op de muren – `Transformeer deze fabriek in een school van de gedachten van Mao Zedong' – heeft het iets van een cultureel themapark. En hoewel de nabijgelegen Ikea-vestiging grotere aantrekkingskracht uitoefent, lopen er op het terrein behalve buitenlanders ook veel modieus geklede en gekapte Chinezen rond uit de snelgroeiende middenklasse.

De moderne kunst in China heeft de afgelopen decennia een gedaanteverwisseling ondergaan. De eerste avant-gardistische golf uit het midden van de jaren tachtig was sterk politiek geëngageerd. Geïnspireerd door bewegingen als Dada, het surrealisme en het Russische futurisme verzette deze `Beweging van 85' zich tegen de totalitaire ideologie die de onder Deng Xiaoping ingezette economische hervormingen begeleidde. Ook streefde zij een `socialisme met een menselijk gezicht' na. Een hoogtepunt was de expositie China/Avant-Garde die in februari 1989 na moeizame onderhandelingen met de autoriteiten werd ingericht in de Nationale Galerie. De autoriteiten deden alles om de tentoonstelling low profile te houden. Zo mocht zij maar twee weken duren en was de opening op oudejaarsdag – in het familiezieke China ongeveer het ongunstigste tijdstip van het jaar. Bovendien mochten er geen politieke en pornografische afbeeldingen te zien zijn, performances en happenings evenmin. De Chinese term voor performance, xingwei yishu (gedragskunst), duidt namelijk op uitingen van individualisme die zich tegen de gemeenschap keren. Binnen het confucianistische wereldbeeld is dat bijna een halsmisdaad.

Ondanks die verboden liep de tentoonstelling volledig uit de hand. Deels was dit te wijten aan de kunstwerken zelf. Zo exposeerde Wang Guangyi een Andy Warhol-achtig portret van Mao, waarin de `Grote Roerganger' achter een zwart raster was geplaatst. Hoewel de toenmalige curator van die tentoonstelling, Gao Minglu, de censoren had weten te overtuigen dat het hier een grafisch experiment betrof, zagen conservatieve censoren dat anders. Zij meenden dat de grote roerganger hier postuum achter de tralies werd gezet.

Ook het logo van de tentoonstelling – een `verboden te keren'-verkeersbord – kon slechts worden gelezen als een politiek statement. Bovendien vonden er tijdens de opening verschillende onaangekondigde happenings plaats. Zo strooide Wang Deren meer dan 7000 condooms boven het publiek uit om bevruchting met subversieve afbeeldingen te voorkomen. De politie greep in toen kunstenares Xiao Lu een pistool tevoorschijn haalde en enkele kogels afvuurde op haar installatie Dialoog, bestaande uit twee telefooncellen en een daartussen aangebrachte dubbelzijdige spiegel.

Voor de autoriteiten was het nu welletjes. De tentoonstelling werd drie dagen lang `voor nader onderzoek' gesloten. Kort na de heropening, waarbij op last van het gezag twintig veiligheidsagenten in de expositieruimte werden gestationeerd, kwamen er diverse bommeldingen binnen. Opnieuw ging de tentoonstelling enkele dagen dicht.

De laatste dagen van de expositie werden alle bezoekers gefouilleerd. De veiligheidspolitie maakte nu ongewild deel uit van een performance: de Chinese avant-gardisten waren erin geslaagd het museum te transformeren tot een symbolisch slagveld en de eerste slag was overduidelijk voor hen.

De tentoonstelling vormde een belangrijke inspiratiebron voor de studentenopstand twee maanden later. In de overheidscampagne na het bloedbad op het Plein van de Hemelse Vrede tegen `het kwaad van bourgeois liberalisme' werd China/Avant-garde herhaaldelijk als een van de uitwassen daarvan genoemd.

Dat het `incident' op het Plein van de Hemelse Vrede nog altijd pijnlijk is voor het regime, wordt duidelijk in de dagen voorafgaand aan 4 juni, de vijftiende verjaardag van het bloedbad. De media wijden er geen woord aan, maar rondom het Plein van de Hemelse Vrede wemelt het van de politiebusjes en er vinden voortdurend identiteitscontroles plaats. Via internet vernemen we van Amnesty International dat er diverse arrestaties zijn verricht.

In het Dashanzi kunstdistrict wordt duidelijk dat de culturele vrijheid sinds 1989 fors is toegenomen. Dat betekent overigens niet dat de kunst daar automatisch beter van wordt. De eerste galeries en ateliers die we bezoeken, doen eerder het tegendeel vermoeden. We zien tientallen fotocollages en schilderijen met Mao in de hoofdrol: tegen de achtergrond van een met Coca-Cola-blikjes gebouwde Grote Muur, tussen de vier Beatles op Abbey Road, of verbaasd starend naar Duchamps urinoir. Zelfs Mao achter de tralies ontbreekt niet. Cynisme lijkt hier tot louter opportunisme verworden.

In het atelier van Fu Lei staan de knalgele porseleinen spaarvarkens met de communistische vlag op hun rug in lange rijen in het gelid. Ze zijn zo mooi van lelijkheid dat Hui en ik er allebei een aanschaffen. In de chique White Space Beijing-galerie is het niet veel beter. We prijzen ons gelukkig dat er hier per muur slechts één bloedeloze imitatie van tweede- en derderangs -ismen uit het westen hangt.

De sleutel tot deze Werdegang ligt in de repressiegolf in de maanden volgend op het neerslaan van het studentenprotest. Sympathiserende redacties van kunsttijdschriften en curatoren werden vervangen door conservatieven en nogal wat kunstenaars en intellectuelen vluchtten het land uit. Het droeg ertoe bij dat de Chinese avant-garde in de jaren negentig grote internationale bekendheid verwierf. Daarvan getuigen grote overzichtstentoonstellingen als Inside Out. New Chinese Art die in 1999-2000 door de inmiddels Gao Minglu in San Francisco en New York werd samengesteld, en Alles onder de hemel die de afgelopen maanden te zien was in het Antwerpse Museum van Hedendaagse Kunst. Door die internationale aandacht kregen ook de achterblijvers meer bewegingsruimte. Hun werk reflecteert op cynische wijze de McDonaldization van China.

Wang Guangyi ontwikkelde zich in het begin van de jaren negentig met zijn Great Castigation Series tot een van de belangrijkste vertegenwoordigers van de `Political Pop'. Voortbordurend op de Russische perestrojka-kunst uit de jaren zeventig combineert hij propagandistische beelden uit de tijd van de Culturele Revolutie met logo's van bedrijven als Coca-Cola. Het zijn bijzonder ambivalente afbeeldingen, waarin op ironische wijze communistische en kapitalistische kitsch aan elkaar wordt gelijkgesteld, maar waaruit ook fascinatie spreekt voor de macht hiervan.

Het cynisch realisme is een andere stroming die zich in het begin van de jaren negentig heeft ontwikkeld. Een schrijnend voorbeeld is het in 1990 door Wang Jinsong geschilderde Taking a picture in Front of Tiananmen. Dit vrolijke, naïef-realistisch geschilderde groepsportret verwijst niet alleen naar het populaire gebruik van Chinese toeristen om zich collectief te laten fotograferen voor de Poort van de Hemelse Vrede waar Mao in 1949 de Volksrepubliek uitriep. De uitgespaarde witte silhouetten in de menigte herinneren ook aan de honderden doden die daar een jaar eerder vielen.

Is het historisch cynisme dat juist de Political Pop en het cynisch realisme in de jaren negentig de succesnummers op de internationale kunstmarkt werden? Gestimuleerd door de economische liberalisering en de open-deur-politiek vestigden zich in die jaren tientallen westerse galeries in China. Wat begon als een cynisch commentaar op communistische en kapitalistische kitsch werd zo snel tot een vlot internationaal te vermarkten camp-product. Wang Guangyi en zijn epigonen veranderden van subversieve intellectuelen in welvarende leden van de nieuwe middenklasse.

Voor avant-gardisten die zich niet in die rol laten dwingen, resteert slechts het semi-ondergrondse circuit van de `Apartment-Art'. Daarmee lijkt de Chinese avant-garde de weg te volgen van de westerse avant-gardes die na de Tweede Wereldoorlog musea en veilingen veroverden maar dit betaalden met een verlies aan politieke betekenis.

Naarmate we langer op het terrein rondzwerven, ontdekken we tussen de pulp ook juweeltjes. Zoals de vreemde schilderijen van Cang Xin, die we aantreffen in de winkel van zijn echtgenote, de modefotografe Xiang Xiaoli. Hij is afgebeeld in de kledij van beroemdheden als George W. Bush en Osama Bin Laden, die naast hem staan in hun onderkleding. Wanneer we het verderop gelegen atelier van de als een boeddhistische monnik ogende Cang bezoeken, blijken die schilderijen aan te knopen bij de Identity Exchange Series. In een lange reeks door Xiang gefotografeerde dubbelportretten is Cang gehuld in de kleding van uiteenlopende personen – fabrieksarbeiders, universiteitsprofessoren, psychiatrische patiënten, zangeressen van de Peking Opera, bedelaars – waarbij de eigenaars telkens in hun ondergoed naast Cang staan. Deze op locatie gemaakte foto's reflecteren het vervloeiende karakter en de kwetsbaarheid van de identiteit. Zeker in een tijd waarin de sociale mobiliteit van veel Chinezen vaak ongewild in een stroomversnelling is geraakt.

Xiang laat ons de catalogus zien van de tentoonstelling Sens interdits? La sensualité dans l'art contemporain chinois die momenteel in het Franse Sarlat loopt. Hier is Cang vertegenwoordigd met foto's waarop hij, geïnspireerd door Duchamps travestie-foto's, zijn identiteit heeft verwisseld met die van oosterse en westerse bruiden.

Vergeleken met de eveneens in de catalogus opgenomen expliciet pornografische foto's van Liu Zheng met copulerende karakters uit de Peking Opera, doen de verlegen, halfnaakte bruiden naast Cang bijzonder onschuldig aan. Maar ze laten zien dat de seksuele moraal sinds 1989 aanmerkelijk vrijer is geworden.

Dat ook het verbod op politieke afbeeldingen aan erosie onderhevig is en zelfs de officiële kunst niet onberoerd laat, toont het werk van Xing Jun Qin. Deze in 1957 geboren schilder, die zijn opleiding genoot aan de militaire kunstacademie en zijn carrière begon als ontwerper van propagandaposters, is inmiddels een vooraanstaande militaire schilder die zijn werk in 1997 bekroond zag met een solotentoonstelling in het Chinese Nationale Museum. We treffen hem aan in zijn atelier waar hij bezig is met een ruim zes meter breed historisch groepsportret van militairen die zich opmaken voor hun vertrek naar het Koreaanse front. Opvallend is dat in dit in opdracht van het ministerie van Defensie geschilderde werk de voor dit genre gebruikelijke heroïek geheel ontbreekt. Het schilderij straalt eerder een sfeer van berusting uit.

De andere schilderijen in zijn atelier en in de catalogus verbazen ons nog meer. Het is alsof er een spirituele neutronenbom is ontploft in de gaarkeuken van het socialistisch-realisme. Er is een hele reeks, deels op militair canvas geschilderde doeken waarop niet alleen de personen en voorwerpen maar ook het landschap erachter compleet gecamoufleerd zijn. Op een schilderij uit 1999 is het New Yorkse vrijheidsbeeld in militaire camouflagekleuren geheuld en zelfs in de zonnige stadsgezichten die hij in Venetië heeft gemaakt zijn de huizen, bruggen en lucht in mediterrane pasteltinten gecamoufleerd.

In zone 798 was het lang voor 9/11 duidelijk dat de Nieuwe Wereldorde van de familie Bush staat voor de globalisering van de oorlog. Xings schilderijen doen, mede door hun net niet naïeve realisme, denken aan de schilderijen van Magritte waarop alle afgebeelde voorwerpen zijn versteend. En dat geldt ook voor zijn politieke strategie, want net als Magritte plaatst Xing zich niet buiten het systeem van representatie, maar deconstrueert hij het van binnenuit.In een hoek van zijn atelier, naast een gigantisch aquarium in de vorm van een duikboot, waarin zeventig goudvissen de herinnering levend houden aan de slachtoffers van een verongelukte duikboot van de marine, staat een bewerking van het beroemde, uit de jaren vijftig daterende schilderij Five Warriors on Mount Longya van Zhan Jian Jun. Het oorspronkelijke schilderij beeldt de heroïsche vastberadenheid uit waarmee het vijftal zich opmaakt voor de strijd tegen een overweldigende overmacht die ze gegarandeerd met de dood zullen bekopen. Chinese toeristen die het Longya-gebergte bezoeken, laten zich graag in het tenue van het Rode Leger op de bergtop fotograferen. Dat de vijf strijders in Xings extreme makeover geheel bedekt zijn met de voor hem kenmerkende camouflages, verbaast ons niet. Wel de uitbundige krans rozen die het hele tafereel omlijst. Voorlopig gaat dit werk zijn militaire opdrachtgevers nog een stapje te ver. Maar het feit dat het is aangekocht door het Museum van Hedendaagse Kunst in Zagreb, Kroatië, een land dat nog niet zo lang geleden bolstond van de oorlogspropaganda, is op zijn minst bemoedigend te noemen.

In het op loopafstand van zijn atelier gelegen Koreaanse restaurant vertelt Xing dat projectontwikkelaars hun oog hebben laten vallen op zone 798. De charismatische Jun Qin is door de kunstenaars gekozen als leider van het verzet. Zijn hoop is gevestigd op de steun van het gemeentebestuur. Mismoedig staart hij naar de bladeren in zijn thee. Het hervormen van het communisme is één ding, de strijd tegen het kapitaal is duidelijk andere koek.

Voor meer informatie www.demul.nl

    • Jos de Mul