Schilders van de stadse leegte

In de Tate Modern in Londen is op het ogenblik, tot 5 september, een grote tentoonstelling te zien van het werk van Edward Hopper. Als je wilt weten in welke mate je op een kunstenaar gesteld bent, moet je je afvragen hoe lang je voor zo'n tentoonstelling in de rij zou willen staan. (En als het om een schrijver gaat, of je eventueel bereid zou zijn een boek van hem/haar te stelen). Bij Hopper denk ik van mezelf: zeker een middag. Bij wat voor weer? Dat is een televisieprogramma.

Toen een week of wat geleden de tentoonstelling open ging, kwamen de Britse kranten met lange, lovende beschouwingen over deze grote Amerikaanse schilder. (Over anti-Amerikanisme gesproken). Natuurlijk rijk geïllustreerd. Je kunt schrijven over beeldende kunst wat je wilt, de hele wijsbegeerte en de geschiedenis aanroepen, maar je moet het zelf zien voor je het begrijpt. (Al jaren heb ik het plan een bloemlezing samen te stellen van kunstkritieken. Het meeste bestaat uit twee delen: de beschrijving van wat de criticus heeft gezien, en de interpretatie. W.F. Hermans heeft (ongeveer) geschreven: Stop honderd barbaarse woorden en een Duitse grammatica in een elektronische rekenmachine, en er komt een essay van Paul Rodenko uit. Ik citeer uit mijn hoofd; het gaat niet om de letterlijke tekst maar om de strekking. Aan deze opmerking van Hermans denk ik vaak als ik een doorsnee kunstkritiek lees.

Toen ik na de oorlog voor het eerst een schilderij van Hopper zag – dat was Gas – dacht ik: dat is in orde. Een groot deel van het oeuvre van Carel Willink kende ik, niet in het origineel maar van de plaatjes. Leeuw in interieur, de koning der wildernis, raadselachtig in de badkamer. Late bezoekers van Pompeï, een godverlaten toneel van antieke ruïnes met een paar verloren toeristen, De terechtstelling, een man die op het valluik van het schavot staat en vergeefs van een blaadje papier nog iets voorleest, waarna hij zijn val in de eeuwigheid zal maken. Bij Willink overviel me telkens weer hetzelfde gevoel dat Hopper veroorzaakte. Als jongen van een jaar of twintig sta je er niet bij stil. Mooi is mooi.

Nu zag ik in de krant al deze Hoppers. Meteen in de Easy Jet, dacht ik. Maar tussen droom en daad. In plaats daarvan verdiepte ik me een beetje in Willink. Er is een schilderij van hem, De landweg, een laan met aan weerszijden bomen, in lang perspectief, met links een telegraafpaal, geschilderd in 1936. Opeens deed het me denken aan Hoppers Gas, de drie benzinepompen aan een lege weg, met ook een bomenperspectief, en de pompbediende die iets aan een meter prutst. Geschilderd in 1940. Vervang Hoppers pompen door Willinks boom en je hebt een soort Willink – of andersom.

Ik denk er niet aan, niet in de verste verte, Hopper van plagiaat te beschuldigen. Maar die schilderijen lijken op elkaar, in de voorstelling, maar vooral in de sfeer. Het zijn voorstellingen die je gedroomd zou kunnen hebben.

Hopper is een schilder van de stadse leegte. Willink is dat ook – onder meer. Hopper zet er vaak mensen in die de leegte accentueren. Willink bepaalt zich meestal tot het steen van de stad. Het beste in dit subgenre vind ik zijn Stadsgezicht uit 1934, met op de voorgrond, op de hoek van een nachtelijk plein een voornaam pand, stijl omstreeks 1900, op de achtergrond een muur en dan nog een groot huis. Leger kan het niet. Hopper schildert in die tijd dezelfde leegte, met dezelfde aandacht voor steen, de ornamenten, voegen in het metselwerk, de leegte. Daar groeit niet eens gras, of desnoods mos. Bij beide schilders is het een momentopname uit een droom: de metropool na het verdwijnen van de mens, of met die paar laatste exemplaren, vóór de definitieve ontvolking van de planeet.

Zo kom ik op het Gele Huis. Het schilderij is van 1935, het huis zelf staat er nog, in de Vossiusstraat, vlak bij de brug over het Vondelpark. In 1940 kwam de uitgever Andries Blitz op het idee een aantal schrijvers te vragen een kort verhaal over het schilderij te schrijven. Meer dan één contribuant liet zijn bijdrage eindigen met een zelfmoord. Bij Henriëtte van Eyck woonde er een muizenfamilie in die, zoals dat bij haar wel meer het geval was, een vrolijk leventje leidde. Nu is er een hotel in gevestigd dat Piet Hein heet. Zeker een paar keer per week, als ik het vanuit de tram (3 of 12) zie, neem ik me voor er even binnen te lopen.

Gisteren, na jaren, was het eindelijk zo ver, ter ere van Willink en Hopper. Het geeft een historische sensatie, eindelijk die treden op te gaan die door Willink zo zorgvuldig zijn bestudeerd en scherp op het doek gebracht. Over deze treden liep ik naar binnen. Een mooi, bescheiden entree met een bar, maar niets voor Night Hawks. Weet u dat dit gebouw beroemd is, vroeg ik een mevrouw aan de receptie. Ze glimlachte minzaam. Maar natuurlijk! We hebben er ansichten van. Voor 70 cent heb ik een mooie kleurenkaart van het Gele Huis gekocht. Pas als je op de plaats van handeling zelf bent geweest, krijg je de overtuiging dat de geschiedenis rond is.