Preken zoals alleen profeten het konden

Kritiek op het zionisme ligt gevoelig. Niet-joodse kritiek wordt soms beschouwd als antisemitisme en joodse kritiek als verraad of een vorm van zelfhaat.

Joodse kritiek op Israël is bij een deel van de joodse gemeenschappen in de diaspora nog steeds onwelkom. In Nederland wordt een dissident groepje als `Een Ander Joods Geluid' beschouwd als een vereniging van `zelfhatende joden' en `verraders'. Maar waarom zouden joden zich eigenlijk, ook in deze tijd, niet kritisch mogen uitlaten over Israël?

Zoals Adam Shatz, redacteur van het progressieve Amerikaanse tijdschrift The Nation, stelt in de uitstekende inleiding van zijn bundel Prophets Outcast, zou zulke kritiek de illusie van zionistische organisaties vernietigen dat alle joden kritiekloos achter Israël staan. En verdeeldheid betekent verzwakking, minder invloed in bijvoorbeeld de Verenigde Staten, waar `de joodse stem' telt in de verkiezingen. Maar vooral: zulke kritiek legt een bom onder het zionisme, dat – vooral na de shoah – het eigen volk wilde redden, maar vergat dat het grote kwaad van de massavernietiging nog geen legitimatie is voor eigen geweld uit lijfsbehoud.

Terwijl in de diaspora nauwelijks geluisterd wordt naar kritische stemmen, bestaat in Israël zelf een kleine maar sterke en ook intellectueel actieve oppositie, die zich geen schuldgevoel laat aanpraten. In schrille tegenspraak daarmee blijven de meeste Europese joden eensgezind achter Israël staan, al hebben velen het `moeilijk' met het beleid van Ariel Sharon.

Toch is scherpe kritiek op het gedrag van de politieke elite een lange joodse traditie met bronnen tot in de tijd van de profeten, zoals nog eens blijkt uit de bundel die Adam Shatz samenstelde. De profeten, naar wie de titel van Shatz' bundel verwijst, hebben de taak het joodse volk en in het bijzonder zijn leiders bij de ethische les te houden. Israëlische misdragingen ten opzichte van Palestijnen aan de kaak stellen, valt daar ook onder.

De bundel Prophets Outcast is een overzicht van de historische ontwikkeling van joodse kritiek op het zionisme, op de emigratie vanuit Europa naar Palestina en op Israël. De duidelijkste principiële tegenstander is volgens Shatz de marxist Isaac Deutscher, die met een berucht essay over de `onjoodse jood' en een artikel over Israël na de veroveringen van 1967 de enige auteur is van wie meer dan één bijdrage is opgenomen. Als marxist is Deutscher een tegenstander van nationalisme. Hij verheerlijkt de diaspora-jood die alle banden met religie en volk heeft verbroken en daardoor, in Deutschers visie, in staat is grote, vernieuwende intellectuele prestaties te leveren. Hij noemt onder anderen Freud als voorbeeld.

Shatz overdrijft helaas in zijn eigen analyse. Zo beweert hij dat Israël bewust de identificatie van joden en zionisme heeft teweeggebracht, om kritiek op Israël gelijk te kunnen stellen aan antisemitisme. Nu is het onmiskenbaar dat die identificatie geregeld wordt misbruikt om kritiek op Israël verdacht te maken als een vorm van antisemitisme – of van joodse zelfhaat – maar de samenzweerderige conclusie van Shatz op dit punt gaat te ver.

Vijanden

Israëls vijanden maken in elk geval géén onderscheid als zij synagogen opblazen of als zij hun media (de Arabische pers en vele televisiezenders) gebruiken om antisemitische propaganda te verspreiden. Antisemitisme is allesbehalve verdwenen, zoals ook recente Europese opiniepeilingen laten zien.

De angst onder joden om kritiek op Israël te uiten is dan ook begrijpelijk. Want als je het bij het verkeerde eind hebt, werk je dan mee aan de mogelijke ondergang van de staat Israël? En als je dat niet wilt, moet je dan tegen beter weten in de zionistische versie van de stichting van Israël verdedigen tegen de waarheid die in de afgelopen twintig jaar door Israëlische historici aan de archieven is ontfutseld?

De Israëlische `postzionistische' historicus Ilan Pappe doet in A History of Modern Palestine een poging tot ontmythologisering van de Israëlisch-Palestijnse geschiedenis van de afgelopen honderdtwintig jaar. Dat is prijzenswaardig. Helaas maakt zijn uitgesproken sympathie voor de Palestijnse underdog het hem daarbij niet makkelijk. Zijn beschrijving van de pogroms van 1929, waarin Palestijnse Arabieren meer dan driehonderd joden vermoordden is daar een voorbeeld van. Pappe doet die moordpartij, die misschien het keerpunt ten kwade is geweest in de betrekkingen tussen joden en Palestijnen, af als een spontane `woede-uitbarsting', en beweert dat er geen plan achter zat van de Palestijnse leiders. Maar Tom Segev, eveneens een postzionistische historicus, beschrijft de pogroms van 1929 geeft een andere, uitvoerige versie van die gebeurtenissen in zijn One Palestine, Complete (besproken in Boeken, 02.02.01). Uit zijn relaas blijkt dat op die dag duizenden gewapende Arabieren naar het vrijdaggebed op de Tempelberg in Jeruzalem trokken, waar de moefti hen opriep om tegen de joden te vechten `tot hun laatste bloeddruppel'. Vervolgens trokken groepen Palestijnen de joodse wijk in en mishandelden, verkrachtten en doodden tientallen joden. De volgende dag vond in Hebron, waar een kleine joodse gemeenschap al achthonderd jaar tussen de moslims woonde, een bloedige pogrom plaats. Spontaan? Pappe rechtvaardigt de `woede-uitbarsting' met een verwijzing naar de Arabisch-Palestijnse pers die recente joodse investeringen in de fosfaat- en elektriciteitsproductie afschilderde als een `joods-koloniale samenzwering', waaraan Pappe toevoegt: `Achteraf bezien, was dat geen onjuiste inschatting.'

A History of Modern Palestine maakt duidelijk dat de Palestijnse elite zich sinds het begin van de joodse immigratie eind negentiende eeuw bedreigd heeft gevoeld. Niet de elite zelf, maar de `fellahin' (pachtboeren) waren echter de slachtoffers van de geschiedenis. Veel feodale landheren verkochten hun land nog met grote winst aan zionistische organisaties. De tragedie is dat de joden die zich vervolgens op de ontruimde landerijen vestigden, uit socialistische en antikoloniale overwegingen hun land zelf wilden bewerken in plaats van de plaatselijke bevolking in te huren. Dat had tot gevolg dat de arme boeren gedwongen waren naar de steden te trekken op zoek naar werk. Als Pappe de rol van de economie in de ontwikkelingen beschrijft, is hij op zijn best.

Verborgen kwestie

In 1905 hield Jitschak Epstein, een verder onbekende zionist, een lezing waarin hij als eerste de problemen beschrijft die zouden ontstaan door het ontwijken van wat hij `the hidden question' noemt: de Arabische bevolking van Palestina en de vraag hoe zich tot hen te verhouden. De bijdrage over hem in Prophets Outcast doet het meest recht aan de titel van de bundel, want Epsteins voorspellingen zijn helaas uitgekomen. Hij verweet de joodse immigranten en de zionistische organisaties ongevoeligheid voor de situatie van de Arabieren. Hij roept zijn mede-zionisten op om door rechtvaardigheid en menselijkheid de harten van de inwoners van Palestina te winnen.

Aan beide uitersten van het politieke spectrum worden op dit moment oude gedachten opnieuw verwerkt. In de Likud en in de Nationale Religieuze Partij wordt alweer een aantal jaren hardop gesproken over het verdrijven van de Palestijnen uit `Groot Israël', in die kringen beter bekend als transfer. Het idee was afkomstig van de rechtse zionist Jabotinsky – een bewonderaar van Mussolini – en het dateert uit de jaren twintig van de vorige eeuw. In linkse kringen wordt de gedachte van een binationale staat weer serieus geopperd. In de eerste decennia van de twintigste eeuw waren het anarchisten en sociaal-revolutionairen die streefden naar een gelijkwaardige relatie met de Arabieren, al was het dan niet naar één staat. De Israëlische vredesactivist Uri Avnery pleitte er in 1968 voor. Maar ook toen al was het een gepasseerd station. Er was al te veel gebeurd.

Ilan Pappe: A History of Modern Palestine. One Land, Two Peoples. Cambridge University Press, 333 blz. €32,–

Adam Shatz (red.): Prophets Outcast. A Century of Dissident Jewish Writing about Israel and Zionism. Nation Books, 408 blz. €21,45