Onbereikbare dame

Guus Middag luistert naar Nederlandstalige liedjes. Vandaag naar `Sonnet voor A.', een door Boudewijn de Groot op muziek gezet gedicht van zijn overleden tekstschrijver Lennaert Nijgh.

Er staat een heel mooi, simpel en kort liedje op Het eiland in de verte, de nieuwe cd van Boudewijn de Groot. Een ingetogen gitaartokkellied, vol dichterlijke woorden, met zachte stem gezongen. De tekst is van Lennaert Nijgh, eind 2002 overleden: `Sonnet voor A.', een op muziek gezet gedicht. Dat riekt naar pretentie, en die is al meteen in de beginregels aanwezig. ,,Ach, als ik soms de zee zie en het strand'', zingt de zanger, en zo gaat hij verder: ,,der duinen blonde koppen in de wind.'' Dat is wel heel oud-dichterlijk gezegd – al is die blonde kop, in plaats van de bekende blonde top der duinen, wel weer verrassend.

Het gedicht gaat nog even door met als-zinnen, om de spanning te vergroten. Dit is er nog zo een: ,,Als ik mijn leven weer eens doelloos vind,/ en niets meer wil dan dwalen door het land.'' Tot nu toe allemaal keurige regels van tien lettergrepen, maar daarna schiet de dichter uit, en worden de regels te lang, met omslachtige en ouwelijke vergelijkingen: ,,Ach, als ik soms een vogel hoor en het ruisen aan de waterkant/ van een rivier zich slingerend als een zilver lint'' en ,,Als ik weer zo zou willen zijn als het kind/ dat spelend waterdruppels opjaagt met zijn hand.'' Te ingewikkeld om in één keer te snappen, maar Boudewijn zingt het allemaal braaf na, met een mooi ingehouden timbre.

Viermaal als, viermaal voorbereiding op de traditionele wending in het sonnet, hier ingeleid met dan: ,,Dan is het alsof ik jou zie lopen,/ door het landschap, bloemen in je haar.'' Het staat er wat onhandig, maar de bewering is wel duidelijk. Een andere dichter zou zeggen: jij bent alles. En nog weer een ander: waar ik ook ben, ik denk altijd aan jou.

Dan volgt de dramatische regel die al een tijd in de lucht hing. De dichter richt zich rechtstreeks tot de geliefde: ,,Jij, die mij slechts vergeefs laat hopen.'' En dan begrijpen we dat hij haar alleen maar op afstand beminnen kan, en veroordeeld is tot verlangen. Traditionele troubadoursthematiek: de liefde voor de onbereikbare dame, `la dame lointaine'. ,,Ach'', verzucht de dichter en zingt de zanger, ,,waren we maar eenmaal bij elkaar.'' In de slotregels kan hij dan wel beweren alles over te hebben voor zo'n eenmalige ontmoeting (,,bloemen, tranen, vogels – zeg het maar''), maar wij weten dat dat nooit zal gebeuren.

Het stramien van dit liefdessonnet is al eeuwen geleden door de troubadours vastgelegd, maar ,,de bloemen in je haar'' wijzen naar het begin van de jaren zestig van de vorige eeuw. De toon is nog net braaf, van een ijverige scholier of student die zijn best doet op een poëtisch chanson. Boudewijn de Groot vermeldt in zijn toelichting dat hij de tekst vond in Nijghs ,,nagelaten archief, met de hand geschreven op een blaadje uit een schoolschrift. Het dateert van '63 of '64.''

Nijgh was toen 18 of 19 jaar. De flower power begon zich aan te dienen. Het zou niet lang meer duren of Parijs werd ingeruild voor Liverpool, het chanson voor de beat. Er kwamen andere tijden. Hier is de oude romantiek nog net bewaard gebleven: in een niet zo heel goed sonnet, veertig jaar later door zijn vriend Boudewijn de Groot omgevormd tot een eenvoudig, ontroerend en tijdloos gitaartokkelliedje. ,,Ach, waren we maar eenmaal bij elkaar'', zingt hij. Het klinkt bijna als een oproep van de zanger aan zijn tekstschrijver, nu voor altijd onbereikbaar.

Een fragment van `Sonnet voor A.' is te beluisteren via www.nrc.nl