Meedoen met de kudde

Sociale wetenschappers staan bij menigeen bekend als duurbetaalde krachten die in ingewikkeld jargon of in imponerende grafieken melden wat iedereen al wist. Toch komt het ook wel eens voor dat algemeen voor waar gehouden volkswijsheden op basis van sociologisch onderzoek naar het rijk der fabelen kunnen worden verwezen.

Dat soort onderzoek levert mooie boeken op. In deze categorie valt de recent verschenen studie Kiezen voor de kudde. Lichte gemeenschappen en de nieuwe meerderheid onder redactie van Jan Willem Duyvendak en Menno Hurenkamp.

Duyvendak (hoogleraar sociologie aan de Universiteit van Amsterdam) en Hurenkamp (hoofdredacteur van het Tijdschrift voor de sociale sector) vroegen zich af of Nederlanders sinds de jaren '70 echt steeds individualistischer zijn geworden, zoals vaak klakkeloos wordt aangenomen. Zij concluderen, op basis van het onderzoek van de door hen aangezochte auteurs, dat het zo'n vaart niet loopt met die individualisering. Er zijn natuurlijk verschijnselen die onder die noemer vallen. Veel Nederlanders rekenen zich niet meer tot een kerkgenootschap en laten zich niet de wet voorschrijven door de bijbel, de dominee of pastoor. Nederlanders trouwen later, wonen langer alleen, en veel echtparen scheiden. Er is onmiskenbaar sprake van `gezinsverdunning'.

Maar als we het hebben over individualisering is deconfessionalisering en gezinsverdunning niet het enige waar we aan denken. Vaak veronderstellen we ook dat er sprake zou zijn van een grotere diversiteit aan opvattingen: vroeger dachten mensen zoals in hun zuil te doen gebruikelijk, maar tegenwoordig vormt iedereen zich zijn eigen mening. Zoveel hoofden, zoveel zinnen. Die pluraliteit van meningen heeft zich voorgedaan kort na de verzuiling, in de jaren '70. In de loop van de jaren '80 en '90 is er echter een nieuwe morele consensus gegroeid. Wij zijn het over heel veel dingen met elkaar eens geworden. We geloven tegenwoordig massaal in de scheiding van kerk en staat, in de gelijkheid van man en vrouw en in de gelijkwaardigheid van homo- en heteroseksualiteit. Nederland is op dit punt een uitzonderlijk homogeen land.

Op terreinen waarop we niet allemaal hetzelfde zijn, blijken we vooral groepsgebonden keuzes te maken. Het moment waarop we ons eerste kind krijgen hangt samen met ons opleidingsniveau en onze inkomensklasse. Voor de naam die we aan dat kind geven geldt hetzelfde. We hebben allemaal grotendeels hetzelfde arbeidsritme en zitten dus in dezelfde files. Bij de besteding van onze vrije tijd hebben we zo vaak dezelfde voorkeuren dat we ook dan in de file terechtkomen. Velen van ons beoefenen een sport die geassocieerd wordt met de sociale klasse waartoe we behoren of waar we mettertijd bij zullen horen. Ten slotte houden we nog steeds van clubs en verenigingen en zijn we bereid om daar tijd in te investeren, zij het niet meer zoveel als vroeger. Individualisering is vaak retoriek; wij menen hoogstpersoonlijke keuzes te maken, maar wij volgen in feite de massa of de groep waartoe wij behoren.

Aan het eind van hun boek werpen de redacteuren de vraag op wat dit alles nu betekent voor allochtonen die moeten inburgeren in onze kudde. De meest voor de hand liggende conclusie trekken Duyvendak en Hurenkamp verrassend genoeg niet. Inburgeren is veel minder lastig dan soms wordt betoogd, lijkt mij de voornaamste les van deze bundel. Het is niet zo dat een gemiddelde allochtoon niets kan aanvangen met de opdracht zich aan te passen, omdat hij met geen mogelijkheid kan weten of hij zich daarbij moet oriënteren op de leefwijze van orthodoxe protestanten op de Veluwe of op het artistieke milieu van de Amsterdamse grachtengordel. Er is een evidente moral majority in Nederland, die zich bovendien kennelijk vrij voorspelbaar gedraagt.

Een tweede les voor allochtonen is afkomstig van antropoloog Thijl Sunier in de bundel. Hij laat zien dat je in Nederland ver kunt komen als je retorisch inburgert. Allochtonen die zich niet willen aansluiten bij de autochtone kudde, moeten hun gedrag presenteren als een autonome, individuele keuze en vooral niet als traditiegebonden gedrag dat samenhangt met een diepgevoelde loyaliteit met de eigen religieuze groep. Denk aan moslima's die zeggen een hoofddoek te dragen, niet omdat het moet van hun vader of van hun echtgenoot, maar omdat zij daar zelf voor kiezen.

Ten slotte geven Duyvendak en Hurenkamp nog een soort wederzijdse wijze les in overweging. Enerzijds zouden autochtonen hun allochtone medeburgers niet te snel moeten betichten van archaïsch, tribaal gedrag. Zij zijn zelf immers ook groepsdieren. Anderzijds zouden allochtone medeburgers moeten leren om hun gemeenschappen wat `lichter' te maken. Autochtone groepen omvatten minder terreinen des levens, autochtone kuddes stellen minder strenge eisen aan hun schapen. De meeste schapen blijven gezellig klieken in de kudde, zonder dat daar expliciete drang of dwang aan te pas komt.

Allochtone medeburgers zouden hun etnische en religieuze gemeenschappen ook wat moeten verluchtigen en zij moeten dat leren door zich te verdiepen in het functioneren van autochtone gemeenschappen, niet door zich blind te staren op de fictie van een verzameling hyperindividualistische autochtone burgers.

    • Margo Trappenburg