Leeslust van een boekjesvolk

Hoe werd er vroeger gelezen? Op schilderijen zijn Hollanders meestal eenzaam verzonken in hun lectuur. De werkelijkheid was anders.

Wereldberoemd zijn ze, de schilderijen van Johannes Vermeer: `De liefdesbrief', `Schrijvende vrouw' en `Schrijvende vrouw met dienstmeid'. Collega's schilderden weer andere briefschrijvers en -lezers, mannen en vrouwen met boeken in de hand, vaak gezeten in hun bibliotheek.

Dat dit `boekige' schildergenre in Nederland onstond is niet zo vreemd. Nederland was in de zeventiende en achttiende eeuw het belangrijkste boekenproducerende land ter wereld. Buitenlanders keken hun ogen uit wat hier gedrukt en verkocht werd en verbaasden zich erover hoeveel mensen konden lezen en schrijven. Op het gebied van de boekgeschiedenis is in Nederland sindsdien dan ook veel gepubliceerd. Er verschenen de laatste tien jaar vernieuwende studies over boekproductie, boekdistributie en boekbezit.

Maar het leesgedrag zelf bleef onbekend terrein. Dat is begrijpelijk, omdat daar vrijwel geen bronnen voor zijn. In een poging om daarover toch meer te weten te komen heeft de historicus Jeroen Blaak zijn toevlucht genomen tot vier dagboeken, waarvan de auteurs greteige lezers waren, en die daar ook over berichtten. Blaak promoveerde vorige maand op Geletterde levens, waarvan ook een handelseditie is verschenen.

Na een inleiding op de problematiek behandelt hij zijn vier lezende helden. De welgemutste schoolmeester David Beck hield in 1624 een dagboek bij, waarin hij uitvoerig vertelt over zijn werk, zijn ontmoetingen en de gesprekken die hij voert – veel over kunst en politiek – en over de boeken die hij las. Beck had een voorkeur voor geschiedenisboeken en Franse romans. De bijbel las hij dagelijks. In dat ene jaar maaktte hij 209 maal melding van lezen, noemde hij 64 titels, ontving hij 82 brieven en schreef hij er 72.

De tweede persoon die wordt behandeld is de Delftse regent Pieter Teding van Berkhout, de rijkste man van de stad. Dit is een ander milieu. Moest Beck de eindjes aan elkaar knopen, Teding van Berkhout, hoeft niet op een folioband meer of minder te kijken. Hij bezat een behoorlijke bibliotheek en zijn belangstelling ging uit naar historische werken en ook naar Franse literatuur. Lezen kon bij Beck en bij Teding van Berkhout de functie van een vlucht uit de werkelijkheid hebben. Na een drukke dag verdiepten zij zich in de literatuur, in reisbeschrijvingen en geschiedenisboeken.

Van de vele titels die genoemd worden behoren, naast de Bijbel, alleen nog Montaignes Essays, de Pensées van Pascal en de gedichten van Ronsard tot bekende leesstof. Opvallend is dat lezen ook in dienst kon staan van een toekomstige conversatie. Teding van Berkhout ploegde bijvoorbeeld een dikke foliant door over de geschiedenis van Frankrijk en maakte daarover aantekeningen. Die gingen niet over de stijl van het boek, het waren geen samenvattingen, of grote lijnen die hij uit het boek destilleerde, maar anekdotes en dramatische weetjes, hapklare verhalen en bon mots, die hij later op kon dissen tijdens een diner of op een kaartavond. Dit `functionele lezen' kwam vaak voor.

Ooggetuygenisse

De derde persoon is Jan de Boer, een achttiende-eeuwse kantoorklerk, woonachtig op de Nieuwmarkt te Amsterdam. Deze man schreef vooral over het dagelijks nieuws. iedere dag las hij de kranten, gedrukte nieuwsberichten en pamfletten en trok hij de stad in om het laatste nieuws te horen. Zijn dagboek, waarin hij ook veel van die pamfletten en kranten geplakt heeft, is een kroniek van zijn tijd. Hij schrijft het nieuws allerminst klakkeloos over, maar levert voortdurend commentaar op zijn `oor- en ooggetuygenisse'. Zijn dagboek is dus vooral een bron voor de geschiedenis van de nieuwsgaring.

Als vierde lezer behandelt Blaak Jacoba van Thiel, die tussen 1767 en 1770 een dagboek bijhield. Deze ongehuwde vrouw behoorde tot de bevindelijken, dat wil zeggen tot die protestanten die de nadruk legden op de persoonlijke geloofsbeleving, op het directe contact met God. Het bijhouden van haar dagboek was voor haar een permanent geloofsonderzoek. Johanna schrijft veel over haar dagelijkse, eentonige zo niet benauwende leven: huishoudelijk werk, verstelwerk, theedrinken en visites afleggen, een enkele keer een uitstapje naar familieleden. Maar daartussendoor was het toch altijd lezen geblazen, van bevindelijke lectuur en zedekundige verhandelingen. De bevindelijken werden dan ook wel `het boeckjesvolck' genoemd.

Geletterde levens beschrijft weliswaar vier levens, maar Blaak geeft zijn boek een veel ruimere betekenis. Hij plaatst zijn hoofdpersonen allereerst telkens tegen de achtergrond van hun milieu en vergelijkt waar mogelijk hun leesgedrag met dat van anderen. Ook behandelt hij het lezen binnen het veel ruimere kader van communicatie in het algemeen. Zo komen we veel te weten over schrijf- en soms zelfs over spreekgedrag, over geletterdheid, over briefschrijven, over de aanschaf van boeken en het beleven van de vrije tijd.

Enkele ideeën over het lezen in vroegmoderne tijd worden daarbij onderuit gehaald. De invloedrijke theorie van de `leesrevolutie' bijvoorbeeld (die ervan uitgaat dat het geconcentreerde lezen van enkele boeken keer op keer, plaats maakte voor `extensief' lezen dankzij het ruimere aanbod van titels) wordt hier niet bevestigd. Ook blijkt dat de fervente lezer zich niet terugtrok `met een boekje in een hoekje'. Het `verstilde lezen' zoals die schilderijen ons willen doen geloven, was allerminst de regel. Men las alleen, maar men las ook gezamenlijk, men las voor en men las ook buitenshuis, op een wandeling, of op reis in de trekschuit. Lezen had niet alleen te maken met opleiding en met het geld dat men aan boeken kon uitgeven, maar ook met het sociaal bepaalde, kostbare goed: vrije tijd. Velen wilden misschien wel, maar konden gewoon niet lezen omdat ze geen tijd over hadden. Blaak stelt ook vast dat men vaker in de herfst en de winter las, wanneer men de tijd niet buiten kon korten.

Rampspoed

Ook de voorkeur en het leesgedrag van deze vier lezers liep uiteen. Gemeen hebben ze de lectuur van religieuze werken en een sterke gerichtheid op Franse boeken. Opvallend is ook dat fervente boekenlezers niet per definite achter de nieuwste boeken aanliepen. Men las en herlas rustig boeken uit lang vervlogen tijden. Men was wel bezig met het actuele nieuws – via kranten, pamfletten en brieven en gesprekken –, maar niet met de nieuwste literatuur of met wetenschappelijke ontwikkelingen.

De populariteit van het lezen werd weerspiegeld in de schilderkunst. Het boek Love Letters dat bij een gelijknamige tentoonstelling in de National Gallery van Ierland is verschenen geeft een mooi overzicht van de brieflezers- en schrijvers. Er staan prachtige schilderijen in van Adriaen van Ostade, Gerard ter Borch, Pieter de Hooch, Gabriël Metsu en anderen. Hun kracht ligt in de intieme concentratie op de brief.

In het beste geval vormen gelaat, papier en de ganzeveer een blanke drieëenheid. Wat er zich afspeelt in het hoofd van briefschrijver of ontvanger, moeten we raden. Een scala van emoties valt te projecteren, hoop, teleurstelling of zelfs verslagenheid zoals je zou kunnen denken bij een schilderij van Pieter Codde. Een vrouw, op de rug gezien, zit aan het spinet. Haar afgewende hoofd, afhangende schouders, de krachteloos neerhangende arm en de hand met de zojuist gelezen brief laten er geen twijfel over bestaan dat hier rampspoed is gearriveerd.

Peter Sutton geeft in zijn inleiding talloze voorbeelden van frases uit destijds populaire handleidingen voor de briefschrijver. Tot 1800 zijn in Nederland negentien verschillende handleidingen voor de briefschrijver verschenen, die keer op keer werden herdrukt. Men leerde eruit hoe beroepsmatige brieven te schrijven, maar ook voor de persoonlijk brief kon men hieruit putten, voor brieven van troost, van liefde, van afwijzing die je je moeiteloos kan voorstellen als de inhoud van de geschilderde brieven.

In Love Letters worden drie schilderijen van Johannes Vermeer behandeld. Op twee daarvan schrijft een vrouw een brief, op de derde heeft een vrouw zojuist een brief ontvangen. Het toeval wil dat een van de eersten die deze schilderijen gezien moet hebben Pieter Teding van Berhout is geweest, de boekenlezer uit het boek van Jeroen Blaak. Op 14 mei en 21 juni 1669 vervoegde hij zich bij zijn stadgenoot, die hij omschrijft als een `excellent peijntre nommé Vermeer' en die hem enkele van zijn werken toonde. Overigens bezat de schilder, zo blijkt uit zijn boedelinventaris, een wel heel bescheiden bibliotheekje van 35 boeken. Vermeer was geen echte lezer. Meer een kijker.

Jeroen Blaak: Geletterde levens. Dagelijks leven en schrijven in de vroegmoderne tijd in Nederland, 1624-1770. Verloren, 368 blz. €32,– Peter C. Sutton e.a.: Love Letters. Dutch Genre Paintings in the Age of Vermeer. Frances Lincoln, Londen, 208 blz. €46,–