Ik ben een levende paradox

In zijn memoires vertelt Bill Clinton zoals hij is, en zoals hij politiek bedreef. Gedreven, onvermoeibaar, onmatig, en hongerend naar erkenning.

Wie in de jaren dat Bill Clinton president was het nieuws een beetje volgde, zal misschien denken dat hij over deze man al meer weet dan hem lief is. Memoires? Als ze maar niet openhartig zijn. Als het maar niet wéér over zijn verhouding met die stagiaire gaat. Als het maar niet weer over zijn schuldgevoel gaat en dat hij er zoveel spijt van heeft, en dat hij nog zoveel houdt van zijn vrouw en zijn dochter.

IJdele hoop. De voorpubliciteit had de ergste vermoedens al bevestigd. Toen Clinton zijn affaire met Monica Lewinsky eindelijk aan zijn vrouw had opgebiecht, zo liet hij onlangs met een fijn gevoel voor publiciteit uitlekken, moest hij zeker twee maanden op de bank slapen. Toe maar. En samen gingen de president en de first lady meer dan een jaar in therapie. Wie wil daar nou niet meer over weten?

Hillary had vorig jaar al een autobiografie de bestsellerlijsten opgestuwd met passages over haar ervaringen als de bedrogen echtgenote, En nu is er dan, voor de echte liefhebbers, zijn kant van het verhaal. Drama, melodrama. Maar hoe dan ook, je sluipt als lezer en voyeur door de gangen van het Witte Huis achter de machtigste man ter wereld aan, als die op zaterdagochtend (in pyjama?), `na een beroerde slapeloze nacht' zijn vrouw wakker maakt en haar vertelt `wat er werkelijk tussen mij en Monica Lewinsky was voorgevallen. Ze keek me aan alsof ik haar een klap had gegeven'. Maar dat is gelukkig pas op pagina 896.

Nu Clintons vuistdikke autobiografie My Life (Mijn Leven) in de winkels ligt, zullen vast de bekende vragen weer opduiken: Wat stelt dat huwelijk nog voor? Is het niet eigenlijk meer een zakelijk-politiek samenwerkingsverband? Houdt Hillary nog wel van Bill? En zo ja: waarom?

Maar een andere vraag lijkt heel wat interessanter: houdt Amerika nog van Bill? En zo ja: waarom? Houdt de wereld nog van deze man, en zo ja, waar komt die blijvende fascinatie vandaan? Want wat zijn critici ook mogen beweren, de eerste oplage van anderhalf miljoen exemplaren doet vermoeden dat zijn charisma nog niet is uitgewerkt.

Wie Clintons boek van kaft tot kaft doorploegt wordt uiteindelijk niet veel wijzer over de aard van dat wonderlijke huwelijk – ondanks de soms gênante, al dan niet geloofwaardig navertelde huiselijke scenes. Maar op die andere vraag, naar de aantrekkingskracht van Clinton als politicus, als politieke celebrity, werpt het boek wél enig licht. En niet alleen door wat hij vertelt, maar ook door de manier waarop hij het vertelt. Want hij vertelt zoals hij is, en zoals hij politiek bedreef als president. Gedreven, onvermoeibaar, ongedisciplineerd en hongerend naar erkenning. Nu eens twijfelend, dan weer prekend. Soms egoïstisch, soms verongelijkt, bij vlagen briljant, vaak invoelend of zelfs warm en menselijk. Onstuitbaar in zijn drang te communiceren, uit te leggen, zaken tot op de bodem te behandelen, meer dan eens tot vervelens toe. Maar steeds met een goed oog voor mensen en hun zwakheden – inclusief die van zichzelf.

Deze autobiografie is door dat alles geen makkelijk boek om te lezen, sterker nog: het is doodvermoeiend, zoals het gezelschap van deze man dat moet zijn. Je wordt soms gek van alle uitweidingen over beleidszaken en moedeloos van de matte beschrijvingen van verre familieleden en lang vergeten politici. Maar voor wie geïnteresseerd is in de praktijk van de Amerikaanse en de internationale politiek, en voor wie wil luisteren naar een van de grote meesters op die terreinen, valt er aan dit boek toch heel wat te beleven.

De titel of ondertitel had even goed iets kunnen zijn als: `My Ups and Downs in American Politics'. Met dank aan Richard Nixon, die – ook wijs geworden door schade en schande – had geleerd dat wie de hoogste bergen wil beklimmen soms door de diepste dalen moet gaan. Clinton gaf zijn boek de weinig geïnspireerde naam Mijn Leven mee – maar veel maakt dat niet uit, want zijn leven is politiek, door en door, al sinds zijn jonge jaren. De term `politiek dier' is eigenlijk nog te zwak voor Bill Clinton, hij is een politiek beest.

Vrijwel alles in zijn leven staat in het teken van de politiek, of heeft in de loop der jaren een politieke rol gekregen. Zijn eenvoudige jeugd in het plaatsje Hope in de zuidelijke staat Arkansas (met een stiefvader die alcoholist was en zijn moeder sloeg) is niet alleen al door verschillende biografen beschreven, het is een deel van zijn politieke imago geworden. Net als zijn saxofoon (waarop hij al speelde in de basisschoolfanfare), zijn schoolvriendjes (die later functies in het Witte Huis kregen) en zijn ontmoeting, als zestienjarige jongen, met president John F. Kennedy, zijn grote held.

Die later beroemd geworden ontmoeting in de Rozentuin van het Witte Huis, op foto vastgelegd, viel hem niet in de schoot. Op een soort politiek zomerkamp (Boys Nation) was hij na een heuse verkiezingscampagne gekozen om als vertegenwoordiger van Arkansas deel te nemen aan een trip naar Washington. Met veel gevoel voor het gewicht van zijn missie verklaarde de scholier destijds plechtig tegenover een lokale krant: `Dit is de grootste belevenis en eer in mijn leven. Ik hoop dat ik de enorme taak kan vervullen die van mij, als vertegenwoordiger van mijn staat, wordt verwacht.'

De hoofdprijs is dan nog slechts een kwestie van tijd, de brandende ambitie is er al en de doortastende aanpak ook. Bij het bezoek aan het Witte Huis dat deel uitmaakte van de reis wist hij zich zo handig naar voren te dringen dat hij de hand van Kennedy kon schudden – `ook al gaf hij in totaal maar twee of drie personen een handdruk', vermeldt hij ruim veertig jaar later nog met trots.

En toch was de jonge Clinton niet iemand van granieten vastberadenheid en onwankelbaar geloof in zichzelf. Op ongeveer 15-jarige leeftijd moest hij op school eens een autobiografisch opstel schrijven. Het stuk, dat blijk geeft van een verrassend psychologisch inzicht, haalt hij in zijn boek uitgebreid aan: `Ik word door zoveel verschillende krachten gedreven en beïnvloed', schreef de puber, `dat ik me wel eens afvraag of mijn leven niet krankzinnig is. Ik ben een levende paradox: diep religieus, maar niet zo overtuigd van mijn precieze geloofsopvattingen als ik zou moeten zijn; ik wil verantwoordelijkheid, maar onttrek me eraan; ik houd van de waarheid, maar geef vaak toe aan de leugen. Ik haat egoïsme, maar zie het iedere dag in de spiegel' Het komt allemaal bekend voor, het lijkt wel zijn gemoedstoestand in de post-Lewinsky-dagen.

Clinton was de eerste president die toegaf dat hij ooit had deelgenomen aan een vorm van psychotherapie (met zijn moeder en zijn jongere halfbroer, nadat die laatste was gearresteerd voor handel in cocaïne). Wellicht heeft hij daaraan het therapeutische taalgebruik overgehouden dat hem bij het campagnevoeren altijd zo goed van pas kwam (`I feel your pain'). In elk geval heeft hij geen gêne zijn twijfels en persoonlijke tekortkomingen openlijk te erkennen. Voor een politicus spreekt dat niet vanzelf, maar voor Clinton is het een deel van zijn charme.

Hij biecht op dat zijn karakter gespleten is, dat hij donkere kanten heeft, dat hij fouten maakt en soms een mislukkeling is. Maar wie is dat niet op zijn tijd? Dus wie zou hem geen herkansing willen geven? Amper twee jaar was Clinton gouverneur van Arkansas of de kiezers stuurden de 34-jarige blaaskaak, die het gewaagd had de kentekenbelasting voor auto's te verhogen, alweer naar huis. Pas na een uniek mea culpa in een tv-spotje wilden de kiezers het nog wel een keer met hem proberen. Het was zijn eerste herkansing in een lange reeks. Het idee dat hij uit ieder fiasco gelouterd en sterker tevoorschijn zou komen sloeg aan – net als zijn zelfgelanceerde bijnaam The Comeback Kid. Men wilde zich graag in hem herkennen. Met dit boek probeert hij het opnieuw, de in een wolk van schandalen vertrokken president, die zo razend intelligent was en zo oerstom.

Een goede biografie van Clinton zou laten zien dat hij een tegelijk een zeldzaam toegewijde, serieuze president was en een losbol. Dat hij meer belangstelling had voor `gewone mensen' dan de meeste politici, maar dat hij ook een zeldzaam grote egoïst was. Dat hij meer visie had dan de meeste van zijn tijdgenoten, maar dat hij al te vaak de grote lijn uit het oog verloor. Uit My Life is dat alles hoogstens indirect op te maken. Deze memoires zijn niet geschreven met distantie en bezinning, ze lijken (ondanks hun omvang) gehaast geschreven en missen een overspannende visie van de auteur op zijn onderwerp.

Clinton is duidelijk nog niet klaar om te worden bijgezet in de gallerij van gepensioneerde presidenten. Zijn boek moet geld opleveren en hem weer in de spotlights plaatsen – om eventuele presidentiële ambities van senator Hillary Clinton te kunnen steunen en wellicht ook om op termijn zelf weer een rol op het politieke toneel te kunnen spelen. Want Bill Clinton zonder leven in de politiek is nu eenmaal niet goed denkbaar.

Meer nog dan een vrouwengek is Clinton namelijk een `policy wonk' – wat de vertalers van My Life `een beleidsmaniak' noemen. Of het nu gaat over onderwijs, gezondheidszorg, het Midden-Oosten of de sociale zekerheid, met een tomeloze energie stortte hij zich als president op de ins en outs van allerlei politieke dossiers. Zijn medewerkers dreef hij soms tot wanhoop door maar eindeloos over onderwerpen te willen doorpraten, steeds meer informatie te vragen. En dan nog kon hij vaak geen beslissing nemen. In allerlei grote kwesties (hervorming van de bijstand, positieve discriminatie, de oorlog op de Balkan) aarzelde hij eindeloos alvorens een standpunt in te nemen. Dat kwam ongetwijfeld omdat hij opzag tegen electorale risico's, maar ook omdat hij vaak begrip had voor de argumenten van beide partijen in een zaak.

Zijn eigen partij stuurde hij, als New Democrat, terug naar het politieke centrum waar de middenklasse zich thuisvoelt en verkiezingen worden gewonnen. Als president maakte hij, ondanks felle tegenstand van de linkervleugel van zijn partij, de bijstandsregeling strenger en bezuinigde hij om het begrotingstekort om te zetten in een overschot. Die zwaarbevochten middenkoers heeft het land in de jaren negentig rust en economische voorspoed gebracht.

Dat bijna alle grote politieke dossiers waarmee Clinton als president te maken had in zijn boek pagina's lang aan de orde komen, levert niet altijd smeuïge lectuur op. Maar die onderwerpen zijn wel het dagelijks brood van een Amerikaans politicus. Clinton haalt de New-Yorkse ex-gouverneur Mario Cuomo aan, die eens zei dat campagne voeren poëzie is, maar besturen proza. Deze autobiografie, dat mag duidelijk zijn, is zeer prozaïsch, zelfs als het over campagnes gaat.

De jaren voor hij president werd beschrijft Clinton eigenlijk het aardigst. Met vallen en opstaan leert hij de kneepjes van het politieke vak, vooral als gouverneur in Arkansas. Hij doorloopt zijn leerschool met verve. Als een bezetene werkt hij aan zijn persoonlijke netwerk van bruikbare vrienden. Hij ontdekt hoe behoudend veel Amerikanen zijn, hij leert omgaan met zijn vijanden, hij komt zijn eerste schandaaltjes te boven en leert hoe je steun vergaart voor een omstreden voorstel. En steeds houdt hij zijn uiteindelijke doel in het oog, en weegt hij zijn kansen voor de volgende stap.

Het tweede deel van het boek, dat gaat over de periode nadat hij tot president is gekozen, behandelt veel dat al erg bekend is. Dan wreekt zich de kleurloze stijl ook meer, en het gebrek aan analyse. Gebeurtenis na gebeurtenis vertelt hij plichtmatig na. Af en toe een persoonlijke observatie of een smakelijke anekdote over een mede-wereldleider zou wonderen doen. Maar daaraan waagt hij zich nauwelijks.

Alleen Arafat krijgt onder uit de zak. Clinton maakt hem bittere verwijten over de mislukking van het vredesinitiatief waarvoor hij zich zo heeft ingespannen. Het scheelt weinig of hij maakt de Palestijnse leider uit voor geestelijk gestoord: `Soms leek het of Arafat in de war was, de feiten niet meer geheel onder controle had. Ik had enige tijd het idee dat hij het spel niet langer beheerste.'

Hoe Clinton zelf het spel steeds is blijven beheersen, als middelpunt van schandalen en van allerlei nationale en internationale politieke stormen, blijft een raadsel. Hoe blijft een mens bij zoveel verantwoordelijkheid geestelijk op de been? En hoe slaag je erin om in de gouden kooi van het Witte Huis nog iets als een privé-leven te hebben? Destijds gebruikte Clinton wel de term compartimentaliseren: privé en politiek, alles in een apart vakje. Maar dat klinkt toch meer als een theoretisch model dan een praktische oplossing. Als de affaire-Lewinsky losbarst, wordt in het boek duidelijk hoe krankzinnig `intens privé' en `grote politiek' voortdurend in elkaars verlengde liggen. Het mooist komt dat tot uiting in één zin, die gaat over de periode kort nadat hij zijn verhouding met Lewinksy heeft opgebiecht aan Hillary: `De eerste paar dagen was ik afwisselend bezig om vergiffenis te smeken en de luchtaanvallen op Al-Qaeda te plannen.'

Na 11 september 2001 is op het presidentschap van Clinton wel teruggekeken als de laatste fase van een voorgoed afgesloten tijdperk, waarin Amerika zich nog kon veroorloven in rep en roer te raken over onbenullige problemen als de amoureuze affaires van een president. Maar dat beeld klopt niet helemaal. In die jaren was er echt meer aan de hand dan de ophef over de vlekken op Monica's blauwe jurk. Of Clinton genoeg gedaan heeft tegen de dreiging van het terrorisme is nog onderwerp van discussie, maar zeker is dat hij er niet blind voor was. Zo beschrijft hij een oefening op kabinetsniveau voor een terroristische aanval met pokken, chemische wapens of kernwapens. En de meer alledaagse politieke kwesties waar Clinton mee worstelde – van de sociale zekerheid en tot etnische verhoudingen, van vuurwapens tot de internationale handel en de belasting op kentekenbewijzen – zijn na 11 september echt niet op slag irrelevant geworden.

Een van de sterkste punten van My Life is dat het ongewild een van de zwakste kanten van Clinton laat zien. Hij kan opmerkelijk goed erkennen dat hij een fout heeft gemaakt, en dat het hem spijt. Maar hoe geloofwaardig is dat, als hij een bladzijde later de schuld toch weer op een ander schuift? Het drama van het Lewinsky-schandaal heeft hij toch in de eerste plaats aan zich zelf te wijten – hoe bezeten de onafhankelijke aanklager en de conservatieve Republikeinen hem ook voor die fout wilden laten boeten. Clinton bestaat het om zijn verslag van die episode te besluiten met de opmerking dat hij met trots terugkijkt op `waarvoor ik heb gevochten tijdens de impeachment-strijd, mijn laatste grote strijd met de krachten waar ik al mijn hele leven tegen streed – degenen in het Zuiden die de rassendiscriminatie verdedigden, die tegen de vrouwenbeweging waren, tegen de milieubeweging, tegen de homoseksuele beweging'. Hij heeft gelijk als hij zegt dat zijn vijanden veel te ver gingen, afzetting zou buiten proportie zijn geweest. Maar hij zélf heeft de hele zaak veroorzaakt, hij zélf heeft het ambt in diskrediet gebracht door niet alleen zijn eigen wetten te overtreden, maar zelfs meineed te plegen. De poging om in die laatste bladzijden zijn fatale persoonlijke stommiteit – en het nationale drama dat eruit voortkwam – in een soort heroïsch politiek kader te plaatsen, past helemaal bij de aard van dit politieke wezen. Maar het zaait met terugwerkende kracht wel twijfel over de oprechtheid van alle zelfkritiek in de voorafgaande honderden pagina's.

Bill Clinton: My Life. Alfred A. Knopf, 957 blz. €29,95. Vertaald door Han Meijer e.a. als Mijn Leven, Balans, 1097 blz. €27,50

    • Juurd Eijsvoogel