Identiteitskaart

Hoera voor Anne-Ruth Wertheim, kortom voor de boodschap die zij, en enkele bekende Nederlanders, zoals de oud-ministers Pronk en Dijkstal, laten horen en, wat mij betreft, niet vaak genoeg kunnen herhalen (Opinie & Debat). Het is echter wel aan te raden het innerlijk, van wie dan ook, dan niet meer te verwarren met identiteit.

Om maar een voorbeeld te noemen. In mijn portefeuille steekt een kaart met de naam Identiteitskaart. Op de kaart staat mijn naam, mijn geboortedatum, mijn adres, mijn geslacht, mijn lengtemaat en mijn nationaliteit.

Bovendien is de kaart voorzien van pasfoto. Even voorbijgaand aan de vervelende kennelijke noodzaak van het vermelden van een nationaliteit, is er op die kaart dus te zien wat iedere willekeurige voorbijganger kan zien, te weten mijn buitenkant, mijn identiteit, mijn herkenbaarheid. Om iets te weten te komen over de binnenkant, over mijn karakter, mijn geaardheid e.d.; kortom over mijn persoonlijke eigenschappen zal men mij derhalve aan moeten spreken.

Feit is helaas dat dit laatste, dat iemand aanspreken om te vragen hoe de binnenkant, van wie dan ook, eruit ziet, veel te weinig wordt gedaan. Het komt mij althans voor dat velen dat zichtbare, de identiteit, voor het gemak meteen maar zien als een vertaling van de binnenkant, van de persoonlijke eigenschappen. En zoals mevrouw Wertheim zeer terecht vaststelt kan dat net als een jaar of zestig geleden leiden tot massaal racistisch geweld.